ECLI:NL:RBSGR:2012:BY4541

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
22 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-23972
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Janse van Mantgem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:7 AwbArt. 4:8 AwbArt. 6:22 AwbArt. 67 Vreemdelingenwet 2000Art. 8 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ongewenstverklaring vreemdeling wegens gevaar voor openbare orde

Eiser, een vreemdeling van Albanese nationaliteit, werd op 23 februari 2012 ongewenst verklaard door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wegens een gevaar voor de openbare orde, na een veroordeling voor bezit van een vervalst reisdocument. Eiser verbleef ten tijde van het voorstel tot ongewenstverklaring in het huis van bewaring en werd door de Koninklijke Marechaussee gehoord, waarbij hij aangaf dat zijn toenmalige advocaat mogelijk iets in zijn voordeel kon aanvoeren.

De rechtbank oordeelde dat verweerder conform het beleid had gehandeld door eiser te horen en dat het niet benaderen van de gemachtigde van eiser geen schending van de hoorplicht opleverde, mede omdat eiser tijdens het gehoor aangaf geen bijzondere omstandigheden te hebben en geen gezins- of familieleven in Nederland te voeren. Eiser had bovendien in de bezwaar- en beroepsfase de mogelijkheid gehad om omstandigheden aan te voeren, wat niet is gebeurd.

De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van een schending van de belangen van eiser en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden en voldoende hoorplicht.

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 12/23972
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 november 2012 in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [geboortedatum], van Albanese nationaliteit,
eiser,
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat te Haarlem),
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
verweerder,
(gemachtigde: mr. L. Kersten, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te
’s-Gravenhage).
Procesverloop
Bij besluit van 23 februari 2012 heeft verweerder eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ongewenst verklaard.
Bij besluit van 29 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 11 oktober 2012 een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2012. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Bij vonnis van 20 december 2011 van de politierechter van de rechtbank Haarlem is eiser veroordeeld voor een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden wegens in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is. Op 19 december 2011 heeft de Koninklijke Marechaussee (KMar) eiser gehoord in het kader van het voornemen tot ongewenstverklaring. Bij brief van 1 januari 2012 heeft de KMar het voorstel tot ongewenstverklaring aan verweerder verzonden.
2. Artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw bepaalt dat de minister de vreemdeling ongewenst kan verklaren indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, Vw.
3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt gesteld. Gelet op de veroordeling van 20 december 2011 vormt eiser een gevaar voor de openbare orde, terwijl hij geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken.
4. Eiser heeft hiertegen in beroep aangevoerd dat hem ten onrechte geen gelegenheid is geboden zijn zienswijze op het voornemen te geven. Daarnaast heeft verweerder in strijd met zijn eigen beleid gewerkt door ook de voormalige gemachtigde van eiser, mr. A. Louwerse, niet in de gelegenheid te stellen schriftelijk een zienswijze te geven op het voorstel tot ongewenstverklaring. De rechtbank begrijpt dat eiser betoogt dat voorgaande een zorgvuldigheidsgebrek oplevert.
5. In paragraaf A5/10.3.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) zijn bepalingen opgenomen over de voorbereiding van een besluit tot ongewenstverklaring. In deze paragraaf is onder meer het volgende bepaald. “Overeenkomstig artikel 4:7 en Pro 4:8 Awb wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en daarbij feiten en omstandigheden naar voren te brengen die naar zijn mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken. Aan deze hoorplicht wordt in beginsel door de vreemdelingenpolitie uitvoering gegeven. De vreemdelingenpolitie of de KMar geeft in ieder geval uitvoering aan de hoorplicht indien de vreemdeling illegaal hier te lande verblijft; de vreemdeling zich in een politiecel, een cel van de KMar of in een huis van bewaring bevindt; de vreemdeling een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend. Uit de door de vreemdelingenpolitie of de Kmar naar voren gebrachte bescheiden dient duidelijk naar voren te komen of en hoe uitvoering is gegeven aan de hoorplicht ingevolge artikel 4:7 en Pro 4:8 Awb. Bij voorkeur is van het gehoor een proces-verbaal opgemaakt. De door de vreemdeling genoemde personen, die volgens zijn verklaring iets in zijn voordeel zouden kunnen aanvoeren, moeten zoveel mogelijk (schriftelijk) worden gehoord. Een vlotte en goede besluitvorming is ermee gediend dat bij een voorstel of advies tot verblijfsbeëindiging tevens aan de IND alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de mogelijke ongewenstverklaring zo uitvoerig mogelijk worden belicht.(…)”.
3.2 Blijkens de stukken in het dossier verbleef eiser ten tijde van het uitvaardigen van het voorstel tot ongewenstverklaring in het huis van bewaring Wolvenplein te Utrecht. Gelet op het voornoemde beleid is het aan de vreemdelingenpolitie of de KMar eiser overeenkomstig artikel 4:7 en Pro 4:8 Algemene wet bestuursrecht (Awb) te horen. Nu blijkens een zich in het dossier bevindend proces-verbaal eiser op 19 december 2011 door de KMar is gehoord in het kader van het voornemen tot ongewenstverklaring, heeft verweerder in zoverre conform het beleid gehandeld. Eiser heeft tijdens dit gehoor aangegeven dat zijn (toenmalig) advocaat, mr. A. Louwerse, iets zou kunnen aanvoeren in het voordeel van eiser. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat mr. Louwerse niet is benaderd door verweerder omdat eiser tijdens zijn gehoor heeft aangegeven dat er geen bijzondere omstandigheden waren op grond waarvan een ongewenstverklaring achterwege zou moeten blijven. Nu eiser voorts heeft aangegeven dat hij geen gezins- of familieleven uitoefent in Nederland, heeft verweerder de gemachtigde van eiser niet benaderd voor het indienen van een zienswijze.
3.3 Indien al moet worden aangenomen dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek wordt hieraan met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb voorbij gegaan. Eiser heeft zowel in de bezwaarfase als in beroep de mogelijkheid gehad om omstandigheden naar voren te brengen op grond waarvan verweerder af zou moeten zien van ongewenstverklaring van eiser. Nu eiser niet alsnog de hiervoor bedoelde omstandigheden heeft aangevoerd en niet ter zitting is verschenen, is er geen grond voor het oordeel dat eiser in zijn belangen is geschaad door het niet horen van eisers toenmalige gemachtigde.
4. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van J. van Roode, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2012.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.