ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0295

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
28 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 12/4547 BESLU
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:71 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd bij geschil over verwijdering van leerling door bijzondere onderwijsinstelling

Eiseres, moeder van een minderjarige leerling, stelde beroep in tegen het besluit van het bestuur van de Stichting Scholengroep Den Haag Zuid-West tot verwijdering van haar kind van school. De voorzieningenrechter wees een verzoek om voorlopige voorziening af. Verweerder stelde dat de Awb niet van toepassing is omdat het een bijzondere school betreft die als privaatrechtelijke rechtspersoon is ingericht.

De rechtbank onderzocht of het bestuur van de Stichting Scholengroep Den Haag Zuid-West als bestuursorgaan in de zin van de Awb kan worden aangemerkt. Uit de statuten en de aard van de instelling bleek dat het een privaatrechtelijke stichting betreft zonder openbaar gezag. De uitzondering voor het afgeven van getuigschriften, waarbij wel sprake is van openbaar gezag, was niet aan de orde.

Daarom kwalificeert het bestuur niet als bestuursorgaan en is het besluit tot verwijdering geen besluit in de zin van de Awb. Hierdoor is de rechtbank onbevoegd kennis te nemen van het beroep. De rechtbank verwijst eiseres naar de burgerlijke rechter voor het instellen van een vordering. Een proceskostenveroordeling wordt niet uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het besluit tot verwijdering van de leerling.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 12/4547 BESLU
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2012 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaats],
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
tegen
het bestuur van de Stichting Scholengroep Den Haag Zuidwest, verweerder.
I Procesverloop
Eiseres is de moeder van de minderjarige [A], geboren op [datum] 1997.
Bij besluit van 23 januari 2012 is [A] van school verwijderd.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 januari 2012 een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 10 februari 2012 heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 21 maart 2012 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank (procedurenummer AWB 12/1149 BESLU) het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Bij brief van 13 januari 2012 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift.
Bij brief van 30 april 2012 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing is omdat sprake is van een bijzondere school van algemeen bijzondere signatuur.
Bij brief van 5 juni 2012 heeft eiseres hiertegen beroep ingesteld.
II Overwegingen
Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:
a. zij kennelijk onbevoegd is,
b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,
c. het beroep kennelijk ongegrond is, of
d. het beroep kennelijk gegrond is.
De rechtbank ziet aanleiding toepassing te geven aan deze bepaling en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of zij bevoegd is van het beroep kennis te nemen. Ter beantwoording van deze vraag dient te worden beoordeeld of de beslissing van verweerder tot verwijdering van [A] van de school als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt. Onder een besluit in de zin van bedoeld artikel wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Ingevolge artikel 1:1, eerste lid, van de Awb wordt onder een bestuursorgaan verstaan:
a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld,
of
b. een ander persoon of college met enig openbaar gezag bekleed.
De rechtbank stelt vast dat verweerder bij brief van 9 juli 2012 nogmaals heeft gesteld en nader toegelicht dat de Awb niet van toepassing is omdat sprake is van een bijzondere school van algemeen bijzondere signatuur. Desgevraagd heeft verweerder de Akte van statutenwijziging van de Stichting Scholengroep Den Haag Zuid-West overgelegd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel, in afwijking van hetgeen de voorzieningenrechter bij voorlopig oordeel van 21 maart 2012 heeft geoordeeld, dat de Stichting Scholengroep Den Haag Zuid-West een bijzondere instelling is als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs is en dat deze instelling uitgaat van een rechtspersoon die krachtens privaatrecht is ingesteld, te weten de Stichting Scholengroep Den Haag Zuid-West. De Stichting Scholengroep Den Haag Zuid-West is geen rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, zodat het bestuur niet kan worden aangemerkt als een in artikel 1:1, eerste lid, onder a, van de Awb, bedoeld bestuursorgaan.
Bepalend voor de vraag of de Stichting Scholengroep Den Haag Zuid-West dan wel de organen daarvan met enig openbaar gezag zijn bekleed als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder b, van de Awb, is het antwoord op de vraag of een of meer overheidstaken zijn opgedragen en daarvoor de benodigde publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend.
In de Memorie van Toelichting op de Aanpassing onderwijswetgeving aan de derde tranche Awb (Tweede kamer, vergaderjaar 1999-2000, 27 265, nr. 3) is onder meer het navolgende opgenomen:
“Het bevoegd gezag van een bijzondere school is in beginsel geen bestuursorgaan, want bijzondere scholen zijn instellingen naar privaatrecht (het bijzonder onderwijs is niet van de overheid). Voorzover het bevoegd gezag van een bijzondere school getuigschriften afgeeft neemt het een besluit en kan het op grond van artikel 1:1, eerste lid, onder b, Awb als bestuursorgaan worden aangemerkt. De afgifte van getuigschriften betreft immers de uitoefening van openbaar gezag. Het is bovendien een rechtshandeling waaraan door de onderwijswetten publiekrechtelijke rechtsgevolgen worden verbonden.”
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) volgt in ondermeer de uitspraken van 19 juli 2006 (LJN AY4273) en 11 oktober 2006 (LJN AY9914) het voornoemde uitgangspunt van de wetgever dat -behoudens de uitzondering ter zake van de afgifte van getuigschriften- het optreden van bijzondere onderwijsinstellingen buiten de reikwijdte van de Awb valt.
Uit het vorenstaande volgt dat, nu in het onderhavige geschil de afgifte van een getuigschrift niet aan de orde is, het bestuur van de Stichting Scholengroep Den Haag Zuid-West niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder b, van de Awb.
De beslissingen van 23 januari 2012 en 30 april 2012 kunnen derhalve niet worden beschouwd als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop kan ingevolge artikel 8:1 van Pro de Awb dan ook geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld tegen laatstgenoemde beslissing van het bestuur van Stichting Scholengroep Den Haag Zuid-West.
De rechtbank is derhalve onbevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen.
Al hetgeen eiseres heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.
Met het oog op artikel 8:71 van Pro de Awb stelt de rechtbank vast dat ter zake van het geschil dat partijen in deze procedure verdeeld houdt, uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Schaffels, rechter, in aanwezigheid van
mr. drs. C.M.A. Demetriadis, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2012.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij aan de rechtbank verzoeken omtrent het verzet te worden gehoord.