ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0281
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R.G.J. Welbergen
- Tj. Gerbranda
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring vreemdeling met verwijzing naar familie- en vreemdelingenrecht
Eiser, een vreemdeling van Libische nationaliteit, werd ongewenst verklaard vanwege meerdere veroordelingen voor ernstige misdrijven en het ontbreken van een verblijfsvergunning. Hij voerde aan dat deze maatregel in strijd was met artikel 3 en Pro 8 van het EVRM, en dat verweerder had moeten afzien van ongewenstverklaring op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb, mede vanwege een lopende strafzaak omtrent de Schipholbrand.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn verwijdering naar Libië zou leiden tot foltering of onmenselijke behandeling (artikel 3 EVRM Pro). Hoewel sprake was van familie- en gezinsleven met een in Nederland verblijvende partner, was het verblijf van eiser in Nederland nooit rechtmatig, waardoor een uitzondering op de verwijdering slechts in bijzondere omstandigheden mogelijk is.
De stelling dat het gezinsleven niet in Libië kan worden voortgezet wegens ontbrekende reisdocumenten en medische omstandigheden van de partner werd niet onderbouwd. Het beroep op het bijzondere beleid voor slachtoffers van de Schipholbrand faalde omdat de ongewenstverklaring niet op die zaak was gebaseerd.
Het beroep tegen de ongewenstverklaring werd ongegrond verklaard, het beroep tegen de weigering van een verblijfsvergunning niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. De rechtbank wees verdere proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring is ongegrond verklaard en het beroep tegen de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk.