ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0037
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tweede incidentele vordering op grond van artikel 7:403 lid 2 BW in civiele procedure tussen Wetjens BV en Aegon NV
In deze civiele procedure tussen Wetjens BV en Aegon NV speelde een tweede incidenteel incident op grond van artikel 7:403 lid 2 BW Pro, waarin Aegon NV verzocht om verantwoording van Wetjens over de uitvoering van een projectovereenkomst. De rechtbank 's-Gravenhage oordeelde dat deze vordering niet vooraf inhoudelijk kan worden beslist in een incidentele procedure, omdat het een materieel verweer betreft dat behoort tot de hoofdzaak.
De procedure kende een complex verloop met verwijzing van de rechtbank Roermond naar de rechtbank 's-Gravenhage, mede door de vraag wie contractspartij was en de overdracht van de vordering door Wetjens aan Wetjens BV. De rechtbank stelde vast dat Aegon NV pas na de cessie ontvankelijk was in haar vordering tegen Wetjens.
De rechtbank verwierp het verweer van Wetjens BV dat het wetboek van burgerlijke rechtsvordering een gesloten systeem kent voor incidentele vorderingen, bevestigde dat ook niet in de wet geregelde incidentele vorderingen kunnen worden ingesteld, maar oordeelde dat in dit geval de inhoudelijke beoordeling van de vordering in de hoofdzaak moet plaatsvinden.
De rechtbank vond bovendien dat Aegon NV onvoldoende toelichting had gegeven waarom zij op grond van artikel 7:403 lid 2 BW Pro verantwoording mocht eisen over mogelijke strafbare feiten of de wijze van opdrachtuitvoering. Daarom wees de rechtbank de tweede incidentele vordering af, veroordeelde Aegon NV in de proceskosten en verwees de hoofdzaak naar een nieuwe rolzitting voor verdere behandeling.
Uitkomst: De rechtbank wijst de tweede incidentele vordering van Aegon NV af en veroordeelt haar in de proceskosten.