ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6817
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verbod op uitlevering aan Verenigde Staten wegens onvoldoende bewijs schending EVRM
Eiser, houder van de Amerikaanse en Griekse nationaliteit, werd door de Verenigde Staten gevraagd voor uitlevering wegens ernstige strafbare feiten. De rechtbank Haarlem verklaarde de uitlevering toelaatbaar en de Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van eiser. Eiser vorderde in kort geding een verbod op uitlevering omdat hij stelde dat de penitentiaire gezondheidszorg in de VS niet gelijkwaardig is aan die in Nederland, hij in 2005 gemarteld zou zijn door overheidsfunctionarissen, en dat hij onterecht vervolgd zou worden voor Bail Jumping.
De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de zorg in de VS inferieur is en dat hij geen toegang tot adequate zorg zal krijgen. Daarnaast is niet gebleken van nieuwe feiten die de stelling van marteling ondersteunen, en het rapport van de forensisch psychiater noemt mishandeling slechts als mogelijke oorzaak van PTSS zonder bewijs. Het beroep op artikel 3 EVRM Pro faalt omdat onvoldoende onderbouwd is dat detentieomstandigheden in de VS een flagrante inbreuk vormen.
Ook het specialiteitsbeginsel werd bevestigd op basis van het vertrouwensbeginsel dat de VS zich aan hun verdragsverplichtingen zal houden. De vordering tot verbod op uitlevering werd daarom afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verbod op uitlevering af wegens onvoldoende bewijs van schending van fundamentele rechten.