ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9814
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij verzoek vervangende toestemming erkenning en omgang minderjarige
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde een verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning en een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling betreffende een minderjarige geboren in Zwitserland. De verzoeker stelde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht had omdat de minderjarige en zijn moeder tot augustus 2011 in Nederland verbleven. De rechtbank stelde echter vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Zwitserland ligt, mede op basis van ambtshalve raadpleging van de Gemeentelijke Basisadministratie en overgelegde stukken.
Voor het verzoek tot vaststelling van de omgangsregeling is de EG-Verordening nr. 2201/2003 (Brussel II-bis) van toepassing, tenzij het kind zijn gewone verblijfplaats heeft in een staat aangesloten bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKV'96). Omdat de verblijfplaats Zwitserland is, is het HKV'96 van toepassing en is de Nederlandse rechter niet bevoegd. Daarom werd dit verzoek afgewezen wegens onbevoegdheid.
Voor het verzoek tot vervangende toestemming erkenning geldt Brussel II-bis niet en evenmin het HKV'96. De rechtbank toetste de bevoegdheid aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is omdat de verzoeker in Nederland woonachtig is. De rechtbank benoemde een bijzonder curator voor de minderjarige conform artikel 1:212 BW Pro om het verzoek inhoudelijk te kunnen behandelen.
De uitspraak werd gedaan door kinderrechter A.M. Brakel, bijgestaan door griffier I.M. Smeets, op 26 juni 2012.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor het verzoek tot omgangsregeling en benoemt een bijzonder curator voor het verzoek tot vervangende toestemming erkenning.