ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5120

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
3 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 12/13178
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 94 VwArt. 88 SrArt. 8:75 AwbArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige verlenging vreemdelingenbewaring wegens termijnoverschrijding

Eiser is op 1 oktober 2011 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maximale termijn van zes maanden voor deze maatregel verstreek op 28 maart 2012. Verweerder verlengde de bewaring bij besluit van 23 maart 2012, waarbij de verlenging inging per 2 april 2012. Hierdoor ontstond een periode tussen 28 maart en 2 april 2012 zonder geldige grondslag voor de bewaring.

Eiser stelde dat deze niet-aansluitende verlenging onrechtmatig was, onder verwijzing naar artikel 88 Sr Pro en het beleid in de Vreemdelingencirculaire dat een maand gelijk is aan 30 dagen. Verweerder erkende dit, maar stelde dat de uitreiking van het besluit vóór het verstrijken van de termijn de rechtmatigheid niet schaadde.

De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van een grondslag in de periode tussen 28 maart en 2 april 2012 de bewaring onrechtmatig maakte. Een belangenafweging was niet meer aan de orde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de maatregel per 3 mei 2012 en kende een schadevergoeding toe van € 2.880,- voor 36 dagen onrechtmatige bewaring. Tevens werden proceskosten aan eiser toegekend.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt opheffing van de bewaring per 3 mei 2012 en kent een schadevergoeding van € 2.880,- toe.

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Utrecht
Sector bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
zaaknummer: AWB 12/13178
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], geboren op [1964], van gestelde Algerijnse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. M.M. Altena-Staalenhoef),
en
de minister voor Immigratie en Asiel, thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder
(gemachtigde: L.M.F. Verhaegh).
Procesverloop
Verweerder heeft op 1 oktober 2011 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Bij besluit van 23 maart 2012 heeft verweerder de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.
Verweerder heeft op 19 april 2012 de rechtbank op grond van artikel 94, eerste en vijfde lid, van de Vw, van dat besluit tot verlenging in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Op grond van artikel 94, eerste lid, gelezen in samenhang met het vijfde lid, van de Vw strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2012. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Overwegingen
1. Met ingang van 31 december 2011 is in werking getreden het nieuwe artikel 59, vijfde lid, van de Vw, waarin is bepaald dat onverminderd het vierde lid de bewaring krachtens het eerste lid niet langer dan zes maanden duurt. Op grond van het nieuwe artikel 59, zesde lid, van de Vw kan de bewaring krachtens het eerste lid in afwijking van het vijfde lid en onverminderd het vierde lid ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
2. Op grond van artikel 94, vijfde lid en eerste volzin, van de Vw is onder meer het vierde lid van overeenkomstige toepassing op een besluit tot verlenging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59, zesde lid.
Op grond van artikel 94, vierde lid, van de Vw verklaart de rechtbank, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de bewaring moet worden opgeheven, omdat het verlengingsbesluit onrechtmatig is. Volgens eiser is de bewaring niet aansluitend verlengd. Eiser stelt dat de termijn van zes maanden verstreek op 28 maart 2012 en in het verlengingsbesluit staat dat de termijn van de bewaring wordt verlengd met ingang van 2 april 2012. Volgens eiser wordt een maand namelijk beschouwd als een tijdvak van 30 dagen. Eiser wijst ter onderbouwing op artikel 88 van Pro het Wetboek van Strafrecht en de Vreemdelingencirculaire onder A6./5.3.5.
4. Verweerder heeft ter zitting erkend dat een maand wordt beschouwd als een tijdvak van 30 dagen. Volgens verweerder heeft dit echter geen consequenties voor de rechtmatigheid van de bewaring, omdat het verlengingsbesluit al op 23 maart 2012 is genomen en op die datum aan eiser is uitgereikt. Eiser wist dan ook al voor het verstrijken van de termijn van zes maanden op welke gronden de bewaring werd verlengd. Volgens verweerder is eiser niet in zijn belangen geschaad.
5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn van zes maanden op 28 maart 2012 verstreek. Voorts staat vast dat in het verlengingsbesluit staat dat de termijn van bewaring met ingang van 2 april 2012 wordt verlengd. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat er geen grondslag was voor de bewaring in de daar tussenliggende periode. Dat het verlengingsbesluit is genomen op 23 maart 2012 en ook op die datum aan eiser is uitgereikt, maakt niet dat er wel een grondslag is voor de bewaring in de periode van 28 maart 2012 tot 2 april 2012. Het ontbreken van een grondslag maakt de bewaring onrechtmatig. Aan een afweging van belangen komt de rechtbank dan niet toe.
6. Omdat de maatregel van bewaring al op deze grond onrechtmatig is per 28 maart 2012 en met de overige beroepsgronden niet wordt betoogd dat de maatregel al eerder dan
28 maart 2012 onrechtmatig is, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de overige door eiser aangevoerde beroepsgronden.
7. Gelet op het voorgaande en artikel 96, derde lid, van de Vw is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring vanaf 28 maart 2012 onrechtmatig is.
8. Het beroep moet daarom gegrond worden verklaard. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden, 3 mei 2012.
9. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt, dan wel de bewaring reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
10. De rechtbank acht voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 36 dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van 36 x € 80,- = € 2.880,-.
11. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,- en wegingsfactor 1).
Omdat aan eiser een toevoeging is verleend moet de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb plaatsvinden aan de griffier.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 3 mei 2012;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling aan eiser van schadevergoeding tot een bedrag van € 2.880,-, te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2012.
griffier rechter
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 2.880,- (zegge: achtentwintighonderdtachtig euro).
Aldus vastgesteld op 3 mei 2012 door mr. M.P. Bos.
rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak over het beroep tegen het verlengingsbesluit kan, gelet op artikel 94, vijfde lid, van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 94, derde lid, van de Vw en artikel 95, eerste lid, van deze wet, binnen één week na de dag van bekendmaking hiervan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag.