ECLI:NL:RBSGR:2012:BW4283
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs van belangenverstrengeling tussen apotheek en huisartsenpraktijk
In deze kortgedingprocedure vordert [apotheek A] dat [apotheek B] en [BV 3] worden bevolen de exploitatie van [apotheek B] en de samenwerking met huisartsen te staken vanwege vermeende belangenverstrengeling in strijd met artikel 11 van Pro het Besluit Geneesmiddelenwet (BGnw).
De feiten betreffen een familieband tussen de huisartsenpraktijk [BV 3], waarin huisarts [Y] werkzaam is, en de apotheek [apotheek B], waarvan de aandeelhouder een holding is van [Z], broer van [Y]. [apotheek A] stelt dat deze verbondenheid leidt tot een financieel belang dat het voorschrijfgedrag kan beïnvloeden en daarmee onrechtmatig is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een ongeoorloofde belangenverstrengeling. De familieband alleen is onvoldoende, en er is geen bewijs dat [Y] of [BV 3] financieel profiteert van de apotheek. Ook de lening verstrekt door [BV 4] aan [Z] Holding is onvoldoende om belangenverstrengeling aan te nemen zonder nader onderzoek.
Gelet op de beperkte schade van [apotheek A] en de grote impact van een toewijzing op het voortbestaan van [apotheek B], wordt de vordering afgewezen. Het oordeel sluit aan bij jurisprudentie dat alleen directe financiële belangen bij de apotheek leiden tot strijd met artikel 11 BGnw Pro. De zaak kan in een bodemprocedure nader worden onderzocht.
Uitkomst: De vorderingen van [apotheek A] worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van belangenverstrengeling.