ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8692

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
16 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11 / 41090
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.C. Hagen
  • R. Sipkens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens beleidsmatige opheffing bewaring zonder vertrektermijn

Eiser, een vreemdeling van Indiase nationaliteit, was in bewaring gesteld zonder dat hem een vertrektermijn was gegeven, hetgeen volgens verweerder beleidsmatig onjuist was. Verweerder stelde dat de bewaring was opgeheven vanwege beleidsmatige redenen en dat sprake was van een ambtelijke misslag omdat eiser geen rechtsmiddelen had aangewend tegen het terugkeerbesluit.

De rechtbank oordeelde dat het niet evident was dat de beslissing van verweerder berustte op een ambtelijke misslag. Er waren eerder vergelijkbare gevallen waarbij vreemdelingen ook geen vertrektermijn hadden gekregen en geen rechtsmiddelen hadden aangewend. De rechtbank stelde dat een vreemdeling die in bewaring is gesteld zonder vertrektermijn zich in een onrechtmatige situatie bevindt, ongeacht het al dan niet aanwenden van rechtsmiddelen.

De rechtbank concludeerde dat de bewaring onrechtmatig was en dat het opheffen van de bewaring niet op een ambtelijke misslag berustte, maar op de vaststelling dat een vertrektermijn had moeten worden gegeven. Voor de schadevergoeding kon de rechtbank alleen teruggaan tot de datum van de laatste uitspraak van 8 december 2011. De schadevergoeding werd toegekend voor de periode van 8 tot 22 december 2011.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staat tot schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring zonder vertrektermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Zittinghoudende te Amsterdam
zaaknummer: AWB 11 / 41090
V-nr: [V-nr]
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 16 februari 2012 in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [1983], van (gestelde) Indiase nationaliteit, eiser,
gemachtigde: mr. K. Ramdhan, advocaat te Amsterdam
en
de minister voor Immigratie en Asiel,
verweerder,
gemachtigde: mr. E. van der Weijden, werkzaam bij de Immigratie en Naturalisatiedienst.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2012 en is na schorsing voortgezet op 16 februari 2012. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 1120.-- (zegge: elfhonderd en twintig euro) aan eiser. De rechtbank veroordeelt verweerder als in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep en de nadere zitting bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 1092,50 als kosten van verleende rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van deze rechtbank.
Motivering
Verweerder heeft toegelicht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 november 2011 (LJN: BU4110), dat de bewaring van eiser is opgeheven vanwege beleidsmatige redenen. Verweerder was in het geval van eiser van mening dat aan eiser een vertrektermijn had moeten worden gegeven.
Verweerder heeft vervolgens betoogd dat er sprake was van een ambtelijke misslag, in die zin dat de bewaring van eiser niet opgeheven had moeten worden, omdat eiser geen rechtsmiddelen had aangewend tegen het hem opgelegde terugkeerbesluit waarin hem geen vertrektermijn was gegeven.
De rechtbank is van oordeel dat niet evident is dat de beslissing van verweerder berust op een ambtelijke misslag. Verweerder heeft niet bestreden dat er, voordat de bewaring van eiser werd opgeheven, al eerder bewaringen van vreemdelingen waren opgeheven die zich in dezelfde positie bevonden als eiser. Hen was eveneens ten onrechte geen vertrektermijn verleend en zij hadden tegen het hierop ziende terugkeerbesluit eveneens geen rechtsmiddelen aangewend. De beslissing van verweerder om de bewaring van vreemdelingen in de positie van eiser op te heffen is naar het oordeel van de rechtbank ook niet kennelijk onjuist. Integendeel, een vreemdeling die in bewaring is gesteld, terwijl hem een vertrektermijn had moeten worden gegeven, bevindt zich in een onrechtmatige situatie. Die situatie wijzigt niet door het al dan niet aanwenden van rechtsmiddelen en verweerder heeft het aanwenden van deze rechtsmiddelen niet nodig om een dergelijke onrechtmatige situatie te beëindigen door het opheffen van de bewaring.
Dat het opheffen van de bewaring van eiser zou berusten op een ambtelijke misslag volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank gaat er vanuit dat verweerder de bewaring heeft opgeheven, omdat eiser een vertrektermijn had moeten krijgen en dat de bewaring gegeven deze vaststelling van meet af aan onrechtmatig was. De rechtbank kan echter voor wat betreft de periode waarover het schadeverzoek kan worden toegewezen niet verder terug gaan dan de datum van de laatste uitspraak op 8 december 2011.
Eiser wordt derhalve in casu schadevergoeding toegekend gerekend vanaf 8 december 2011 tot aan de opheffing van 22 december 2011.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
H.C. Hagen mr. R. Sipkens
griffier rechter
afschrift verzonden op:
Conc.: HH
Coll:
D: B
VK
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.