ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8614
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering vrijstelling mvv-vereiste wegens gebrekkig medisch advies
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde een bestuursrechtelijke vreemdelingenzaak waarin een Turks gezin een reguliere verblijfsvergunning aanvraagt, maar geweigerd wordt vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De vader en twee zoons worden niet vrijgesteld van het mvv-vereiste, en de moeder beroept zich op artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) vanwege haar gezondheidstoestand.
De rechtbank constateert dat het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 19 december 2011, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, niet voldoet aan de vereisten van onpartijdigheid, objectiviteit en inzichtelijkheid. Cruciale medische informatie, zoals een brief van de behandelend psychiater, was niet bekend bij de verweerder en werd niet aan het BMA voorgelegd. Dit leidt tot concrete twijfels over de juistheid van het advies.
Verder oordeelt de rechtbank dat de belangenafweging ten aanzien van het gezinsleven en de medische situatie van de moeder niet voldoende zorgvuldig is gemaakt. De rechtbank wijst erop dat de ziektebeelden niet in onderlinge samenhang zijn beoordeeld en dat mantelzorgaspecten onvoldoende zijn onderzocht. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit voor zover het de moeder betreft en beveelt een hernieuwde beslissing binnen zes weken, waarbij het ontbrekende medisch advies moet worden betrokken.
De rechtbank veroordeelt de verweerder tevens tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van de moeder. De overige gezinsleden worden niet vrijgesteld van het mvv-vereiste, omdat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet zelfstandig in Turkije kunnen voorzien in hun levensonderhoud en opleiding.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd voor de moeder wegens gebrekkig medisch advies en verweerder wordt opgedragen binnen zes weken opnieuw te beslissen.