ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8335
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Executiegeschil over uithuisplaatsing minderjarige en ontheffing ouderlijk gezag
In deze zaak staat de uithuisplaatsing van een minderjarige centraal, waarbij de minderjarige zelf, vertegenwoordigd door een bijzonder curator, en zijn oudere broer en zus vorderingen instelden tegen de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland. De oudere broer werd niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen belanghebbende was, en de oudere zus omdat zij als minderjarige niet zelfstandig kon procederen zonder vertegenwoordiging.
De minderjarige vorderde primair dat de uithuisplaatsing zou worden gestaakt en dat hij weer bij zijn ouders en broers en zussen mocht wonen, subsidiair dat de tenuitvoerlegging van de uithuisplaatsing zou worden geschorst totdat de kinderrechter een beslissing zou nemen op zijn verzoek tot beëindiging van de uithuisplaatsing. Tevens werd verzocht om de behandeling van het verzoek tot ontheffing van het ouderlijk gezag te schorsen.
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een juridische of feitelijke misslag in de beschikking tot uithuisplaatsing, noch van een noodtoestand die onmiddellijke staking van de tenuitvoerlegging rechtvaardigde. Ook was er een andere rechtsgang open via artikel 1:263 lid 2 sub a BW Pro. De vorderingen van de minderjarige werden afgewezen, en de proceskosten werden gecompenseerd. De oudere broer en zus werden niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: De vorderingen tot staking of schorsing van de uithuisplaatsing worden afgewezen en de oudere broer en zus worden niet-ontvankelijk verklaard.