ECLI:NL:RBSGR:2012:BV7318
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Schadeplichtigheid Staat wegens niet tijdige aanpassing vakantiewetgeving na Bectu arrest
Eiser was arbeidsongeschikt en ontving slechts vergoeding voor vakantiedagen opgebouwd in de laatste zes maanden van zijn dienstverband, conform artikel 7:635 lid 4 BW Pro. Hij vorderde vergoeding van meer vakantiedagen van de Staat omdat de Nederlandse wetgeving niet tijdig was aangepast aan de Europese richtlijn na het Bectu arrest.
De Staat voerde aan dat er geen gekwalificeerde schending van Europees recht was en dat er geen causaal verband bestond tussen de schending en de schade van eiser. De rechtbank oordeelde dat de Staat de grenzen van zijn discretionaire bevoegdheid kennelijk en ernstig had miskend door artikel 7:635 lid 4 BW Pro niet aan te passen na het Bectu arrest van 2001.
De rechtbank stelde vast dat de Richtlijn een recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon aan alle werknemers toekent, ongeacht arbeidsongeschiktheid, en dat de Nederlandse regeling die dit recht beperkte tot de laatste zes maanden van arbeidsongeschiktheid hiermee in strijd was. De Staat werd veroordeeld tot betaling van € 2.651,- vermeerderd met wettelijke rente vanaf 25 oktober 2010, als vergoeding voor niet toegekende vakantiedagen over de gehele periode van arbeidsongeschiktheid.
Uitkomst: De Staat is veroordeeld tot betaling van € 2.651,- plus wettelijke rente wegens onrechtmatige vertraging bij aanpassing van vakantiewetgeving.