ECLI:NL:RBSGR:2012:BV7201
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid Staat voor niet-naleving Europese richtlijn inzake vakantiedagen arbeidsongeschikte werknemer
De zaak betreft een werknemer die sinds februari 2008 arbeidsongeschikt was en per 26 februari 2010 uit dienst trad. Volgens het destijds geldende artikel 7:635 lid 4 BW Pro ontving zij alleen vergoeding voor vakantiedagen opgebouwd in de laatste zes maanden van haar dienstverband. Zij vorderde vergoeding van 36 niet-uitgekeerde vakantiedagen van de Staat, stellende dat de Nederlandse wetgeving niet conform de Europese richtlijn was aangepast na het Bectu arrest van het HvJ EG.
De Staat voerde verweer dat er geen gekwalificeerde schending van het Europees recht was en dat er geen causaal verband bestond tussen de schending en de schade. De rechtbank oordeelde dat de Staat de richtlijn kennelijk en ernstig had miskend door artikel 7:635 lid 4 BW Pro niet tijdig aan te passen na het Bectu arrest, waardoor de werknemer onrechtmatig was benadeeld.
De rechtbank verwierp het verweer dat de werknemer haar werkgever had moeten aanspreken en dat de vervaltermijn van zes maanden reeds was verstreken. Ook werd het verweer van de Staat dat de vordering gematigd moest worden op grond van 70% loondoorbetaling tijdens ziekte niet gevolgd, omdat het normale loon bepalend is voor de vergoeding van niet-genoten vakantiedagen.
De Staat werd veroordeeld tot betaling van € 3.106,88 aan de werknemer, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 februari 2010, en in de proceskosten. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van € 3.106,88 aan de eiseres wegens niet-uitgekeerde vakantiedagen over de gehele periode van arbeidsongeschiktheid.