ECLI:NL:RBSGR:2012:29514

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
1 oktober 2012
Publicatiedatum
6 augustus 2013
Zaaknummer
1051009 / RL EXPL 11-8810
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 RvArt. 843a RvArt. 39 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wraking rechter wegens vermeende vooringenomenheid

In deze zaak heeft de besloten vennootschap verzoekster een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter mr. P.M. Gompen, stellende dat deze vooringenomen en niet onpartijdig zou zijn. Dit verzoek volgde op eerdere wrakingsverzoeken en betrof onder meer vermeende discriminerende uitlatingen, onjuiste bewijsopdrachten en het buiten beschouwing laten van een akte van verzoekster.

De wrakingskamer heeft vastgesteld dat de meeste aangevoerde grieven betrekking hadden op feiten en omstandigheden die reeds bij eerdere wrakingsverzoeken bekend waren, en derhalve niet opnieuw in behandeling konden worden genomen. De wrakingsgrond die resteerde was dat de afwijzing van een vordering ex artikel 843a Rv en het buiten beschouwing laten van een akte op vooringenomenheid zou duiden.

De wrakingskamer benadrukte dat zij niet de inhoudelijke juistheid van de beslissing hoeft te toetsen, maar slechts moet beoordelen of er sprake is van feiten die een objectief gerechtvaardigde vrees voor onpartijdigheid rechtvaardigen. Dit was niet het geval. De rechter had het verzoek tot bewijslevering afgewezen omdat dit zou leiden tot een 'fishing expedition', wat in strijd is met de strekking van artikel 843a Rv.

De wrakingskamer concludeerde dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die een vermoeden van vooringenomenheid rechtvaardigen. Het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen en de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen en de hoofdzaak wordt voortgezet.

Uitspraak

beslissing
WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK’s-Gravenhage
Meervoudige wrakingskamer
Wrakingnummer 2012/44
rekestnummer: 423416 / HA RK 12-393
zaaksnr: 1051009 / RL EXPL 11-8810
datum beschikking: 1 oktober 2012
BESLISSING
op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster] B.V.,
gevestigd te[plaats],
verzoekster,
vertegenwoordigd door [A],
bijgestaan door mr. M. Krul,
strekkende tot wraking van:
mr. P.M. Gompen,
kantonrechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage,
hierna te noemen: de rechter.
Belanghebbende:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B] B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
gemachtigde: mr. T. Berendsen.

1.De voorgeschiedenis en het procesverloop.

In de hoofdzaak is verzoekster op 15 maart 2011 gedagvaard door belanghebbende. Na comparitie van partijen op 12 september 2011 is verzoekster bij vonnis van 18 oktober 2011, gewezen door de rechter, toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.
Bij akte van 14 november 2011 heeft verzoekster haar voornemen kenbaar gemaakt de rechter te wraken. Deze akte is aangemerkt als wrakingsverzoek en voorgelegd aan de wrakingskamer. Bij beslissing van 12 maart 2012 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet.
Op 26 juni 2012 is in de hoofdzaak vonnis gewezen. In dit vonnis is – zakelijk weergegeven – de vordering ex artikel 843a Rv van verzoekster afgewezen en de zaak naar de rol verwezen.
Na ontvangst van dat tussenvonnis op 2 juli 2012 heeft verzoekster bij brief van 4 juli 2012 de rechter wederom gewraakt. Bij brief van 13 augustus 2012 heeft de rechter kenbaar gemaakt niet in de wraking te berusten en de wrakingskamer in kennis gesteld van zijn standpunt ter zake.

2.De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

Op 17 september 2012 is ter openbare terechtzitting van deze wrakingskamer het wrakingsverzoek behandeld. Verzoekster is verschenen in de persoon van [A], die het wrakingsverzoek heeft toegelicht. De rechter is – zoals vooraf bericht – niet verschenen. Namens belanghebbende is verschenen mevrouw [C], bijgestaan door mr. Berendsen.

3.Het standpunt van verzoekster.

Verzoekster heeft – samengevat – aangevoerd dat de rechter zich tijdens de comparitie jegens verzoekster discriminerend heeft uitgelaten en dat de rechter verzoekster in het tussenvonnis van 18 oktober 2011 ten onrechte en op onjuiste gronden een bewijsopdracht heeft gegeven. Hieruit blijkt volgens verzoekster dat de rechter vooringenomen, bevooroordeeld en niet onpartijdig is.
Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat de rechter door afwijzing van de vordering ex artikel 843a Rv haar de mogelijkheid heeft onthouden tegenbewijs te leveren. Ook dit duidt op partijdigheid van de rechter. Verder heeft de rechter blijkens het vonnis van 26 juni 2012 een akte van verzoekster van 15 mei 2012 buiten beschouwing gelaten, terwijl hij wel acht heeft geslagen op een akte van [B] B.V die op dezelfde dag is binnengekomen. Aldus stuurt de rechter naar de door hem gewenste uitkomst van de procedure.

4.Het standpunt van de rechter.

De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat hij het wrakingsverzoek als een verkapt hoger beroep tegen de afwijzing van de vordering ex artikel 843a Rv ziet, nu er na 18 oktober 2011 geen zittingen meer hebben plaatsgevonden.

5.De beoordeling.

De wrakingskamer stelt vast dat het onderhavige wrakingsverzoek volgt op een eerdere wraking van dezelfde rechter. Ingevolge artikel 37, vierde lid, Rv wordt een dergelijk verzoek niet in behandeling genomen, tenzij feiten en omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
Voor zover de grieven van verzoekster zien op de gang van zaken ter comparitie en op de in het vonnis van 18 oktober 2011 vervatte bewijslastverdeling worden deze niet in behandeling genomen, aangezien dit feiten en omstandigheden betreft die reeds vóór het eerdere wrakingsverzoek d.d. 14 november 2011 bekend waren.
Daarmee resteert de wrakingsgrond dat de afwijzing van de vordering ex artikel 843a Rv en het buiten beschouwing laten van een akte van de zijde van verzoekster van vooringenomenheid getuigt.
De wrakingskamer stelt voorop dat het niet aan haar is om de beslissing ten aanzien van voormelde vordering inhoudelijk op juistheid te beoordelen. Aan de orde is slechts de vraag of de beslissing en de motivering ervan feiten of omstandigheden opleveren die op vooringenomen duiden of die tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor onpartijdigheid leiden.
Uitgangspunt bij beantwoording van die vraag dient te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is niet gebleken. De rechtbank heeft het verzoek ex artikel 843a Rv blijkens het vonnis van 26 juni 2012 afgewezen omdat – kort gezegd – toewijzing van het verzoek tot een ‘fishing expedition’ zou leiden, hetgeen in strijd is met doel en strekking van artikel 843a Rv. Anders dan verzoekster heeft bepleit is van een onbegrijpelijke, op vooringenomenheid duidende beslissing dan ook geen sprake, terwijl ook de vrees voor onpartijdigheid niet objectief gerechtvaardigd is.
Blijkens het vonnis van 26 juni 2012 heeft de rechter voorts beide partijen éénmaal in de gelegenheid gesteld schriftelijk haar standpunt ten aanzien van het verzoek kenbaar te maken en op overige nadien ingediende stukken geen acht geslagen. Ook deze gang van zaken is niet aan te merken als een uitzonderlijke omstandigheid als hiervoor bedoeld.
Derhalve zal als volgt worden beslist.

6.De beslissing.

De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
- verzoekster via haar gemachtigde, mr. Krul;
- belanghebbende via haar gemachtigde, mr. Berendsen;
- de rechter, mr. Gompen.
Deze beslissing is gegeven door mr. E.A.G.M. van Rens, mr. J.G.J. Brink en mr. T.F. Hesselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Snoeijer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2012.