ECLI:NL:RBSGR:2011:BV1719
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende bewijs vluchtelingenschap en mensenhandelrisico
Eiseres, een Mongoolse vrouw en voormalig slachtoffer van mensenhandel, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Zij stelde dat zij als lid van een sociale groep van jonge, arme, minder opgeleide Mongoolse vrouwen en als slachtoffer van mensenhandel gegronde vrees heeft voor vervolging in Mongolië.
De rechtbank oordeelde dat hoewel het zijn van vrouw en slachtoffer van mensenhandel kenmerken kunnen zijn van een sociale groep, eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege die groepskenmerken gegronde vrees voor vervolging heeft. Er is geen bewijs dat mensenhandelaren deel uitmaken van of worden getolereerd door autoriteiten, noch dat eiseres bescherming van autoriteiten niet kan krijgen.
Ook het beroep op de b-grond faalde omdat eiseres niet aannemelijk maakte dat zij opnieuw slachtoffer zou worden van mensenhandel of represailles, mede omdat zij de bescherming van autoriteiten niet heeft ingeroepen. Het beroep op de c-grond werd afgewezen omdat de traumatische ervaringen niet direct verband hielden met het vertrek uit het land van herkomst.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank 's-Gravenhage op 28 december 2011.
Uitkomst: Het beroep van eiseres op een verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte gegronde vrees en bescherming door autoriteiten.