ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9097
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid rechter inzake teruggeleiding minderjarigen op grond van HKOV
De vrouw vordert in kort geding de teruggeleiding van haar vier minderjarige kinderen die zonder haar toestemming door de man naar Marokko zijn gebracht. Zij baseert haar vordering op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (HKOV) en stelt dat de Nederlandse voorzieningenrechter bevoegd is op grond van Brussel II bis en het Haags Kinderbeschermingsverdrag.
De man voert verweer en is op dat moment in verzekering gesteld op verdenking van kinderontvoering. De voorzieningenrechter overweegt dat de vordering tot teruggeleiding op grond van het HKOV slechts kan worden ingesteld bij de rechter van de staat waar de kinderen zich bevinden, hier Marokko. De bevoegdheid kan niet worden gebaseerd op Brussel II bis of het Haags Kinderbeschermingsverdrag.
Omdat Marokko partij is bij het HKOV, wordt ervan uitgegaan dat de Marokkaanse Centrale Autoriteit conform het verdrag zal handelen en dat de vrouw zelf daar een procedure kan starten. De voorzieningenrechter verklaart zich daarom onbevoegd ten aanzien van de vordering tot teruggeleiding en de daarmee samenhangende vorderingen.
De rechter benadrukt het belang van overeenstemming tussen partijen over de verblijfplaats van de kinderen en dat de man het contact tussen de kinderen en de vrouw moet bevorderen. Iedere partij draagt haar eigen proceskosten.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de vordering tot teruggeleiding van de minderjarigen en bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.