ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3637
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag wegens faciliterende rol bij marteling
Eiser, van Afghaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister werd geweigerd op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser volgens de minister onder artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag viel. Eiser was werkzaam als bewaker bij de Afghaanse veiligheidsdienst NDS en werd verweten een faciliterende rol te hebben gespeeld bij marteling en foltering van gevangenen.
De rechtbank overwoog dat het enkel behoren tot een organisatie als de NDS niet automatisch uitsluiting van vluchtelingenstatus betekent; dit vereist een individueel onderzoek naar de rol van de persoon binnen de organisatie. Uit verklaringen van eiser bleek dat hij gevangenen overbracht naar een verhoorkelder waar martelingen plaatsvonden en dat hij een persoon aanwees die vervolgens werd gemarteld. Dit leidde tot de conclusie van 'knowing and personal participation'.
Eiser voerde aan niet zelf betrokken te zijn geweest bij martelingen en dat de context van zijn dienstverband onvoldoende werd onderzocht. De rechtbank verwierp dit en stelde dat eiser wist of had moeten weten van de martelingen en door zijn handelingen een wezenlijke bijdrage leverde aan deze misdrijven. Ook het beroep op artikel 3 EVRM Pro werd afgewezen omdat geen reëel risico op onmenselijke behandeling bij terugkeer was aangetoond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de weigering van de verblijfsvergunning. Er werden geen kosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard vanwege faciliterende rol bij marteling en foltering.