ECLI:NL:RBSGR:2011:BR5494
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.H. van Breda
- Tj. Gerbranda
- R.G.J. Welbergen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid staandehouding en vreemdelingenbewaring in grensgebied conform Schengengrenscode
De zaak betreft de beoordeling van de rechtmatigheid van een staandehouding en daaropvolgende vreemdelingenbewaring van een persoon van Libische nationaliteit, die op 26 juli 2011 op de Rijksweg A16 werd gecontroleerd op grond van artikel 50 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De rechtbank toetst of deze staandehouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming zijn met de Schengengrenscode, met name de artikelen 20 en 21, en het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaken Melki en Abdeli. Uit dit arrest volgt dat identiteitscontroles in grensgebieden niet hetzelfde effect mogen hebben als grenscontroles, en dat nationale regelgeving dit moet waarborgen door onder meer beperking van frequentie en intensiteit.
De rechtbank oordeelt dat artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 deze waarborgen bevat, doordat het toezicht beperkt is tot een gebied van twintig kilometer vanaf de grens, met een maximum van negentig uur per maand en zes uur per dag, en slechts een deel van de passerende voertuigen wordt gecontroleerd. De staandehouding van eiser voldoet aan deze criteria en is daarmee niet onrechtmatig.
Omdat eiser de gronden van de vreemdelingenbewaring niet heeft betwist en geen argumenten heeft aangevoerd dat de maatregel onrechtmatig of onredelijk is, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de staandehouding en vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.