ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3477
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens onvoldoende onderzoek naar lichter middel bij terugkeer vreemdeling
Eiser werd op 13 februari 2011 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze vrijheidsontnemende maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 23 februari 2011.
De kern van het geschil betrof de vraag of verweerder eerst had moeten onderzoeken of een minder dwingende maatregel dan bewaring, zoals een meldplicht, doeltreffend kon zijn. De rechtbank constateerde dat verweerder dit onvoldoende had onderzocht, ondanks dat eiser een vaste woon- of verblijfplaats bij zijn ouders en broers in Zutphen had, die bereid waren garant te staan.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat een lichter middel niet mogelijk was. De rechtbank beval onmiddellijke opheffing van de bewaring, kende een schadevergoeding toe van €980 voor de onrechtmatige vrijheidsontneming, en veroordeelde de Staat in de proceskosten van €874.
De rechtbank benadrukte dat de Terugkeerrichtlijn een gelaagde aanpak voorschrijft waarbij eerst minder dwingende middelen moeten worden overwogen. Zowel verweerder als de rechter moeten toezien op de naleving hiervan. De uitspraak bevestigt het belang van proportionaliteit en zorgvuldigheid bij vrijheidsbenemende maatregelen in vreemdelingenzaken.
Uitkomst: De bewaring van eiser wordt onmiddellijk opgeheven en er wordt schadevergoeding toegekend wegens onrechtmatige vrijheidsontneming.