ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3056
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag EU-burger wegens rechtmatig verblijf zonder beëindiging
Eiser, een Litouwse gemeenschapsonderdaan, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder wees de aanvraag af op grond van artikel 30, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser reeds rechtmatig verblijf had als EU-burger volgens artikel 8, aanhef en onder e, van die wet.
De rechtbank oordeelde dat het rechtmatig verblijf van eiser niet was geëindigd, aangezien een verwijderingsbesluit noodzakelijk is om het rechtmatig verblijf van een EU-burger te beëindigen, zoals bepaald in Richtlijn 2004/38/EG en bevestigd door jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. De afwijzing van de asielaanvraag is geen zodanig besluit.
Eiser stelde dat zijn rechtmatig verblijf beperkt was tot drie maanden en dat het beëindigd was, en dat artikel 30 Vw Pro 2000 inbreuk maakte op internationaal asielrecht. De rechtbank verwierp deze stellingen en stelde dat zolang het rechtmatig verblijf niet is beëindigd, de asielaanvraag niet inhoudelijk hoeft te worden beoordeeld.
De rechtbank concludeerde dat de nationale wetgeving geen ontoelaatbare inbreuk maakt op internationale regelgeving en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag afgewezen wegens niet beëindigd rechtmatig verblijf als EU-burger.