ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ6597
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ongewenstverklaring en intrekking verblijfsvergunning wegens misdrijf en openbare orde
Eiser kreeg op 2 december 2008 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend, die op 8 februari 2010 met terugwerkende kracht werd ingetrokken en eiser werd tevens ongewenst vreemdeling verklaard vanwege een onherroepelijke veroordeling tot een gevangenisstraf van drie jaar voorwaardelijk in België voor verkrachting en aanranding van een minderjarige.
De rechtbank oordeelt dat de maatstaf voor ongewenstverklaring de straf is die bedreigd wordt door het misdrijf en niet de opgelegde straf. De glijdende schaal uit het Vreemdelingenbesluit 2000 is niet van toepassing omdat eiser voorafgaand aan het misdrijf geen rechtmatig verblijf had. Het strafvergelijkend onderzoek is als deskundigenadvies aanvaard, ondanks de kritiek van eiser.
Eiser voerde aan dat de ongewenstverklaring in strijd is met artikel 8 EVRM Pro vanwege zijn gezinsleven in Nederland en het lage recidiverisico volgens een psycholoog. De rechtbank oordeelt marginaal toetsend dat het belang van de nationale veiligheid zwaarder weegt, mede omdat het gezinsleven pas na het misdrijf is aangevangen en de kinderen van de partner meerderjarig zijn.
Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zolang de ongewenstverklaring voortduurt, geen rechtmatig verblijf mogelijk is. De rechtbank wijst beide beroepen af en veroordeelt geen partij tot proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.