ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ4753

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
22 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/4195
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:82 AwbArt. 6 lid 1 Richtlijn 2008/115/EGArt. 12 lid 1 Richtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heffing van griffierecht in procedure over terugkeerbesluit niet in strijd met Terugkeerrichtlijn

Verzoeker ontving op 14 december 2010 een terugkeerbesluit van de Minister voor Immigratie en Asiel. Hiertegen maakte hij bezwaar en verzocht vervolgens om een voorlopige voorziening. De griffier wees verzoeker op het verschuldigde griffierecht van €152, dat binnen veertien dagen moest worden voldaan. Verzoeker betaalde dit griffierecht niet en stelde zich op het standpunt dat hij geen griffierecht verschuldigd was op grond van de Terugkeerrichtlijn. Subsidiair stelde hij dat hij het griffierecht niet kon betalen vanwege onvoldoende financiële middelen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de Awb duidelijk voorschrijft dat griffierecht verschuldigd is in procedures tegen terugkeerbesluiten en dat noch de Awb noch de Vreemdelingenwet 2000 daarin een uitzondering maken. Het recht op gratis rechtsbijstand zoals bedoeld in de Terugkeerrichtlijn betekent niet dat griffierechtheffing in strijd is met die richtlijn. Bovendien had verzoeker zijn betalingsonmacht niet onderbouwd, terwijl zijn gemachtigde ter zitting aangaf dat betaling in de hoofdzaak niet werd uitgesloten.

Daarnaast was er geen spoedeisend belang meer, omdat de vreemdelingenbewaring van verzoeker was opgeheven. De voorzieningenrechter verklaarde het verzoek daarom niet-ontvankelijk wegens het niet voldoen van het griffierecht en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Dordrecht
Sector Bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
procedurenummer: AWB 11/4195, V-nummer: [nummer],
uitspraak van de voorzieningenrechter
in geding tussen
[naam verzoeker], verzoeker,
gemachtigde: mr. M.K. Bhadai, advocaat te 's-Gravenhage,
en
de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,
gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
1. Ontstaan en loop van het geding
Op 14 december 2010 heeft verweerder aan verzoeker een terugkeerbesluit uitgereikt.
Tegen deze handeling heeft verzoeker bij brief van 29 december 2010 bezwaar gemaakt bij verweerder.
Bij schrijven van 4 februari 2011 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Bij besluit van 15 maart 2011 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij faxbericht van 17 maart 2011 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/9278.
Het verzoek om voorlopige voorziening is op 11 april 2011 ter zitting behandeld.
Verzoeker is ter zitting verschenen bij gemachtigde.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1. het wettelijk kader
2.1.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ingevolge het vijfde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt de verzoeker, indien een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt en op dit bezwaar wordt beslist voordat de zitting heeft plaatsgevonden, in de gelegenheid gesteld beroep bij de rechtbank in te stellen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
2.1.2. Ingevolge artikel 8:82, eerste lid, eerste volzin, van de Awb wordt van de verzoeker door de griffier een griffierecht geheven.
Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, van dit artikel is artikel 8:41, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, twee weken bedraagt.
Artikel 8:41, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de griffier de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht wijst en hem meedeelt dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2.1.3. Volgens artikel 6, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: Terugkeerrichtlijn) vaardigen de lidstaten onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.
Volgens artikel 12, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, voor zover hier van belang, wordt het terugkeerbesluit schriftelijk uitgevaardigd.
Volgens artikel 13, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, voor zover hier van belang, wordt aan de betrokken onderdaan van een derde land een doeltreffend rechtsmiddel van beroep of bezwaar toegekend tegen de in artikel 12, lid 1, bedoelde besluiten in het kader van terugkeer.
Volgens artikel 13, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn heeft de betrokken onderdaan van een derde land recht op juridisch advies, vertegenwoordiging in rechte en, indien nodig, taalkundige bijstand.
Volgens het vierde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, zorgen de lidstaten ervoor dat op verzoek gratis de noodzakelijke rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging ter beschikking wordt gesteld, overeenkomstig de relevante nationale wetgeving of regels inzake rechtshulp.
2.2. het oordeel van de voorzieningenrechter
2.2.1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in de bodemprocedure.
2.2.2. Bij aangetekende brief van 16 februari 2011 heeft de griffier verzoeker gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht ten bedrage van € 152 en hem medegedeeld dat dit bedrag binnen veertien dagen op de bankrekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven. In deze brief is verzoeker erop gewezen dat het verzoek in beginsel niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het griffierecht niet tijdig is gestort. Tevens is verzoeker medegedeeld dat van het griffierecht geen vrijstelling of vermindering kan worden verleend.
Bij faxbericht van 7 maart 2011 heeft verzoeker betoogd dat voor de indiening van het verzoek om voorlopige voorziening geen griffierecht is verschuldigd. In reactie op dit faxbericht heeft de griffier verzoeker bij brief van 16 maart 2011 medegedeeld dat hij wel griffierecht is verschuldigd en is verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht zo spoedig mogelijk en uiterlijk voor aanvang van de zitting alsnog te voldoen.
2.2.3. Verzoeker heeft het griffierecht niet betaald. Verzoeker stelt zich met verwijzing naar de Terugkeerrichtlijn op het standpunt dat hij geen griffierecht is verschuldigd. Subsidiair stelt verzoeker dat hij het griffierecht niet kan betalen omdat hij niet over voldoende financiële middelen beschikt.
De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn standpunt dat hij geen griffierecht is verschuldigd. De verschuldigdheid van het griffierecht volgt uit artikel 8:82, eerste lid, van de Awb. In de Awb noch in de Vreemdelingenwet 2000 is bepaald dat in procedures tegen een terugkeerbesluit geen griffierecht wordt geheven. Dat verzoeker op grond van de Terugkeerrichtlijn mogelijk recht heeft op gratis rechtsbijstand, betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog niet dat het heffen van griffierecht in een procedure tegen een terugkeerbesluit in strijd is met de Terugkeerrichtlijn. Voor zover verzoeker met zijn subsidiaire standpunt heeft willen betogen dat van een doeltreffend rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn geen sprake is omdat een griffierecht wordt geheven dat hij niet kan betalen, volgt de voorzieningenrechter verzoeker niet in dit betoog. Verzoeker heeft zijn stelling dat hij het griffierecht niet kan betalen op geen enkele manier onderbouwd, terwijl zijn gemachtigde ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat hij niet uitsluit dat verzoeker het griffierecht in de hoofdzaak alsnog zal voldoen. Van gebleken betalingsonmacht aan de zijde van verzoeker, voor zover al relevant, is dan ook geen sprake.
2.2.4. Gelet op het voorafgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek niet-ontvankelijk is wegens het niet voldoen van het verschuldigde griffierecht.
2.2.5. Overigens is de voorzieningenrechter niet gebleken van een spoedeisend belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening, nu zijn vreemdelingenbewaring inmiddels is opgeheven.
2.2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2.2.7. Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage:
- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en M.G. den Ambtman, griffier, ondertekend.
De griffier, De rechter,