ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ3506

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
16 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
978127 \ CV EXPL 10-5619
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G. Keizer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige onderhuur en schadevergoeding door verhuurder

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank 's-Gravenhage op 16 februari 2011, gaat het om een geschil tussen een verhuurder en een huurder over onrechtmatige onderhuur en de daaruit voortvloeiende schade. De verhuurder, aangeduid als [verhuurder], heeft de huurder, aangeduid als [huurder], aangeklaagd wegens het gedeeltelijk en geheel onderverhuren van de woning aan derden zonder toestemming. De periode van onrechtmatige onderhuur beslaat van 2 februari 2006 tot 1 juli 2010. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de huurder in strijd met de huurvoorwaarden heeft gehandeld door de woning aan [getuige 1] en [betrokkene 2] onder te verhuren.

De kantonrechter heeft in zijn vonnis geoordeeld dat de vordering van de verhuurder tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning toewijsbaar is. De huurder is veroordeeld om de woning te ontruimen en te verlaten, en om een schadevergoeding van € 5.342,50 te betalen aan de verhuurder, vermeerderd met wettelijke rente. De kantonrechter heeft de huurder ook in de proceskosten veroordeeld, die zijn begroot op € 906,89, inclusief gemachtigdensalaris.

De kantonrechter heeft de verklaringen van getuigen en de huurovereenkomst in overweging genomen en geconcludeerd dat de huurder wanprestatie heeft gepleegd door de woning zonder toestemming onder te verhuren. De schadevergoeding is berekend op basis van de winst die de huurder heeft genoten uit de onrechtmatige onderhuur. De kantonrechter heeft de vordering tot machtiging voor zelfuitvoering van de ontruiming afgewezen, omdat de verhuurder reeds bevoegd is tot executie op basis van de wet.

Dit vonnis is uitgesproken ter openbare terechtzitting en is uitvoerbaar bij voorraad. De kantonrechter heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector kanton
Locatie Leiden
gk
Rolnr.: 978127 \ CV EXPL 10-5619
Datum: 16 februari 2011
Vonnis in de zaak van:
[verhuurder],
gevestigd te [vestigingsadres],
eisende partij,
gemachtigde: Deurwaarder mr. L.M. Jongerius,
tegen
[huurder],
wonende te [adres],
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. A.P. Stipdonk.
Partijen worden aangeduid als “[verhuurder]” en “[huurder]”.
Procedure
De kantonrechter neemt over hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 10 november 2010, waarbij [huurder] is toegelaten tot (tegen-)bewijslevering. [huurder] heeft 1 getuige doen horen (te weten: [getuige 1]). [huurder] heeft afgezien van het doen horen van de eerder door hem aangezegde getuige [betrokkene 2]
Hierna is vonnis bepaald op heden.
Beoordeling
[verhuurder] heeft een kopie van een huurovereenkomst betreffende de woning [huuradres] (hierna ook “de woning” genoemd) tussen [huurder] en [getuige 1] (hierna “[getuige 1]”) d.d. 10 november 2004 in het geding gebracht. Blijkens deze huurovereenkomst huurde [getuige 1] een kamer in de woning aan [huuradres] voor een prijs van € 200,-- per maand. Ingevolge informatie bij het GBA van de [gemeente] heeft [getuige 1] op dit adres ingeschreven gestaan gedurende de periode 12 november 2004 tot 2 februari 2006.
De kantonrechter acht de verklaring van [getuige 1] respectievelijk dat hij in feite in genoemde periode op een kamer boven een winkel de in [adres kamer] heeft gewoond, dat de betreffende verhuurder aldaar “hem geen adres wilde geven” en dat [getuige 1] zich daarom heeft laten inschrijven op het [huuradres] om een uitkering te kunnen krijgen, ongeloofwaardig.
De kantonrechter gaat uit van het algemene gegeven dat men woont waar men ingeschreven staat. Indien [getuige 1] in genoemde periode in de [adres kamer] zou hebben gewoond, dan was er geen enkel beletsel geweest om bij het GBA te [gemeente] het feitelijke woonadres op te geven. Toestemming van de betreffende verhuurder is daarvoor niet vereist.
De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat [huurder], in strijd met het bepaalde in artikel 9, lid 8 van de algemene huurvoorwaarden bij het huurcontract tussen hem en [verhuurder], de woning aan [huuradres] in genoemde periode gedeeltelijk heeft onderverhuurd aan [getuige 1] voor de prijs van € 200,-- per maand.
De ten overstaan van de Sociale Recherche Zuid-Holland Noord op 8 april 2010 door [betrokkene 1] (hierna: “[betrokkene 1]“) en [betrokkene 2] (hierna: “[betrokkene 2]”) afgelegde verklaringen, die zijn vervat in het rapport van genoemde recherche van een onderzoek naar de feitelijke bewoning van het perceel [huuradres] d.d. 27 april 2010, acht de kantonrechter geloofwaardig. [huurder] heeft geen tegenbewijs geleverd, hoewel daartoe bij vonnis van de kantonrechter d.d. 10 november 2010 in de gelegenheid gesteld.
De kantonrechter komt op basis van deze verklaringen tot het oordeel dat [huurder] in strijd met het bepaalde in artikel 9, leden 2 en 8 van de algemene huurvoorwaarden bij het huurcontract tussen hem en [verhuurder] in genoemde woning geen hoofdverblijf heeft gehad en genoemde woning geheel aan [betrokkene 2] heeft onderverhuurd voor een bedrag van € 700,-- per maand inclusief energie en water in de periode 1 februari 2009 tot 1 juli 2010, terwijl [huurder] aan [verhuurder] aan huur verschuldigd was een bedrag van € 435,-- per maand.
Wat betreft de tussenliggende periode (2 februari 2006 tot 1 februari 2009) is de vordering van [verhuurder] onvoldoende onderbouwd. [betrokkene 1] verklaart als buurvrouw wel dat er voorafgaande aan de bewoning door [betrokkene 2] drie buitenlandse mannen in de woning hebben verbleven, maar niet is gesteld of aangetoond dat dit ten titel van onderhuur was. Ook is een exacte periode niet genoemd.
Op grond van het bovenstaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat [huurder] ten opzichte van [verhuurder] wanprestatie heeft gepleegd door de woning gedurende een periode gedeeltelijk en gedurende een andere periode geheel onder te verhuren. De vordering tot ontbinding en ontruiming ligt dan ook voor toewijzing gereed.
De door eisende partij gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit te voeren, zal worden afgewezen, omdat de bevoegdheid tot reële executie van de veroordeling tot ontruiming reeds voortvloeit uit de artikelen 555 e.v. juncto artikel 444 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Wat betreft de gevorderde schadevergoeding komt de kantonrechter op basis van artikel 6:104 BW en het arrest van de Hoge Raad d.d. 18 juni 2010 (LJN BM0893) tot het volgende oordeel.
De door [verhuurder] geleden schade bestaat uit de door [huurder] op basis van zijn wanprestatie genoten winst. Deze winst schat de kantonrechter als volgt:
Tijdens de gedeeltelijke onderhuur door [getuige 1] was de opbrengst € 200,-- minus extra kosten van energie en water van gemiddeld € 25,-- per maand en aldus € 175,-- per maand.
Tijdens de gehele onderhuur door [betrokkene 2] was de winst het van haar ontvangen bedrag ad € 700,-- per maand inclusief energie en water minus de door [huurder] betaalde huur aan [verhuurder] ad € 435,-- + kosten van energie en water ad gemiddeld € 100,-- per maand en aldus (€ 700,-- minus € 535 =) € 165,-- per maand.
Dit betekent een totale winst in de eerste periode van: 14,5 maanden x € 175,-- = € 2.537,50.
Voor de tweede periode een winst van: 17 maanden x € 165,00 = € 2.805,00. De totale winst bedraagt aldus € 5.342,50 Dit bedrag zal worden toegewezen.
[huurder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden verwezen.
Beslissing
De kantonrechter:
- ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak [huuradres];
- veroordeelt [huurder] deze onroerende zaak geheel te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet het eigendom van [verhuurder] zijn, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van [verhuurder] te stellen;
- veroordeelt [huurder] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verhuurder] te betalen € 5.342,50,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt [huurder] in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verhuurder] begroot op € 906,89, waaronder begrepen € 625,00 voor gemachtigdensalaris onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G. Keizer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2011.