ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ2502

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
7 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
369067- FA RK 10-4824
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.C. Ritsema van Eck - van Drempt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253t BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gezamenlijk gezag wegens niet verstrekken NAW-gegevens biologische vader

De rechtbank 's-Gravenhage behandelde een verzoek van de moeder en grootmoeder van een minderjarige om gezamenlijk gezag te verkrijgen. De rechtbank had eerder bepaald dat de NAW-gegevens van de biologische vader verstrekt moesten worden, zodat de Raad voor de Kinderbescherming de vader kon betrekken bij het advies.

Verzoeksters weigerden deze gegevens te verstrekken, met het argument dat de biologische vader geen contact wenst met het kind. De rechtbank oordeelde dat ook de biologische vader als belanghebbende moet worden betrokken bij het gezagsverzoek en dat diens zienswijze objectief moet worden geverifieerd.

Omdat verzoeksters niet aan de verplichting voldeden om de gegevens te verstrekken, kon de rechtbank niet vaststellen of de belangen van het kind bij toewijzing van het verzoek zouden worden verwaarloosd. Gezien de jonge leeftijd van het kind en de mogelijke gevolgen voor de vader en het kind, wees de rechtbank het verzoek af.

De rechtbank benadrukte dat de keuze van verzoeksters om de gegevens niet te verstrekken voor hun risico komt, ondanks het begrip voor de situatie van de vader. De beschikking werd uitgesproken door kinderrechter M.C. Ritsema van Eck - van Drempt op 7 april 2011.

Uitkomst: Het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen wegens het niet verstrekken van de NAW-gegevens van de biologische vader.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector familie- en jeugdrecht
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 10-4824
Zaaknummer: 369067
Datum beschikking: 7 april 2011
Gezamenlijk gezag
Beschikking op het op 14 juni 2010 ingekomen verzoek van:
[De moeder],
de moeder,
en [de moeder],
de grootmoeder,
beiden wonende te Zoetermeer,
advocaat: mr. G.O. Perquin te Zoetermeer,
verzoeksters.
Procedure
De rechtbank heeft bij beschikking d.d. 1 december 2010 verzoeksters bevolen binnen twee weken na heden de NAW-gegevens van de biologische vader van de minderjarige aan de rechtbank te verstrekken opdat de raad de rechtbank nader kan rapporteren en adviseren en heeft de raad verzocht om na ontvangst van deze NAW-gegevens via de rechtbank de biologische vader in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze kenbaar te maken omtrent het verzoek en de rechtbank nader te rapporteren.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:
- de brief van de zijde van verzoeksters d.d. 20 december 2010;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming te 's-Gravenhage (hierna: de raad) d.d. 11 januari 2011 met een aanvullende rapportage, kenmerk KZ-1-9QL7U.
De beschikkingsdatum is thans bepaald op heden.
Beoordeling
Verzoeksters hebben de rechtbank bericht dat de moeder de uitdrukkelijk uitgesproken wens van de biologische vader dat hij niets met de minderjarige te maken wenst te hebben respecteert en dat zij om die reden de NAW-gegevens van de biologische vader niet zullen verstrekken.
De raad heeft na wederom een (telefoon)gesprek met de moeder geconcludeerd dat de raad geen reden ziet om af te wijken van het eerder gegeven advies te weten: het verzoek van verzoeksters om hen gezamenlijk te belasten met het gezag af te wijzen.
De rechtbank overweegt dat ook indien ervan wordt uitgegaan dat de biologische vader (verwekker) van de minderjarige niet een andere ouder in de zin van artikel 1:253t lid 3 BW is, de biologische vader naar het oordeel van de rechtbank belanghebbende kan zijn bij een verzoek ex artikel 1:253t BW. Alsdan dienen ook de belangen van deze vader bij de in artikel 1:253t lid 3 BW bedoelde afweging te worden betrokken.
Zoals in de tussenbeschikking overwogen, dient de biologische vader in de gelegenheid te worden gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. Door geen gevolg te geven aan de in de eerdergenoemde beschikking gegeven beslissing ontnemen verzoeksters de rechtbank (en de raad) de mogelijkheid om de door hen gestelde wens van de biologische vader om ten aanzien van de minderjarige geen vaderrol te vervullen, de minderjarige niet te erkennen en niet met het gezag te worden bekleed, objectief te verifiëren.
De rechtbank merkt op dat de minderjarige op [geboortedatum] 2010 is geboren, het verzoek reeds op 14 juni 2010 is ingediend en toewijzing van het verzoek in beginsel een beletsel vormt dat de biologische vader, nadat hij de minderjarige heeft erkend, mede met het gezag kan worden belast. Mogelijk is thans, anders dan tijdens of voorafgaand aan het raadsonderzoek, geen sprake meer van contact met de biologische vader. De rechtbank acht objectieve verificatie niettemin van belang om te kunnen beoordelen of de biologische vader in dezen als belanghebbende dient te worden aangemerkt en of gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. Dit gezien de jonge leeftijd van de minderjarige, de consequenties van toewijzing van het verzoek voor de biologische vader en daarmee voor de minderjarige, gezien de feiten blijkens het raadsrapport met betrekking tot het contact tussen de biologische vader en de minderjarige rond de geboorte van de minderjarige en het aanvankelijke voornemen van de moeder tot samenwoning met de biologische vader.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet bekendmaken van de persoon van de biologische vader, althans het niet-verstrekken van zijn NAW-gegevens door verzoeksters in dit geval tot afwijzing van het verzoek noopt. Hoezeer de keuze om die gegevens niet te verstrekken op zichzelf mogelijk gerechtvaardigd is en hoewel de rechtbank op zichzelf geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van de moeder dat de biologische vader gezien zijn verleden niets te maken wil hebben met instanties, komen de gevolgen van die keuze naar het oordeel van de rechtbank voor risico van verzoeksters.
De rechtbank zal derhalve als volgt beslissen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Ritsema van Eck - van Drempt, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.A. Smit-Venema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2010.