ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0584
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kort geding vordering tot afgifte minderjarige in kinderontvoeringszaak
De vader vordert in kort geding de onmiddellijke afgifte van zijn minderjarige kind aan hem in Noorwegen, gebaseerd op een onherroepelijke Noorse rechterlijke uitspraak en het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De moeder houdt het kind in Nederland, wat aanleiding gaf tot de procedure.
De moeder voert aan dat de vader geen spoedeisend belang heeft omdat de Centrale Autoriteiten de zaak voortvarend oppakken en de kort gedingprocedure haar verweermogelijkheden beperkt. De rechtbank oordeelt dat de vader onvoldoende heeft aangetoond dat onverwijld ingrijpen noodzakelijk is en dat een bodemprocedure met voldoende waarborgen een betere weg is.
Gezien de complexiteit van de zaak en het belang van het kind acht de rechtbank het onwenselijk om in kort geding een beslissing te nemen die vooruitloopt op de bodemprocedure. De vordering wordt daarom afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot onmiddellijke afgifte van de minderjarige wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.