ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9824
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten ongewenstverklaring en intrekking verblijfsvergunning wegens motiveringsgebrek
Eiser, een Afghaanse nationaliteit dragende vreemdeling, werd in 1997 als vluchteling toegelaten en kreeg een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft in 2009 en 2010 besluiten genomen tot intrekking van deze vergunning en tot ongewenstverklaring van eiser op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, met toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, vanwege ernstige vermoedens van betrokkenheid bij misdrijven.
Eiser voerde aan dat het algemeen ambtsbericht van 29 februari 2000, waarop de besluiten grotendeels zijn gebaseerd, onjuist en onvolledig is. Hij overlegde een UNHCR-note met aanvullende bronnen, waarvan de rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze informatie geen aanleiding geeft tot twijfel aan het ambtsbericht.
De rechtbank stelde vast dat verweerder niet voldoende heeft onderbouwd waarom er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Hierdoor kleefde aan de besluiten een motiveringsgebrek in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, wat leidt tot vernietiging van beide besluiten en gegrondverklaring van de beroepen.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht van eiser. Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten tot intrekking van de verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wegens motiveringsgebrek en verklaart het beroep gegrond.