ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9719
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens ongewenstverklaring en strafrechtelijke antecedenten in vreemdelingenrecht
Eiser, een vreemdeling van Turkse nationaliteit, werd op 11 maart 2011 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, direct aansluitend op zijn strafrechtelijke detentie. De bewaring was gebaseerd op vier omstandigheden: ongewenstverklaring, strafrechtelijke antecedenten, het niet naleven van de vertrektermijn en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats. Tijdens de procedure stelde de gemachtigde van verweerder dat de laatste twee omstandigheden niet langer als grond voor bewaring golden, waardoor alleen ongewenstverklaring en strafrechtelijke antecedenten overbleven.
De rechtbank toetste de bewaring aan de richtlijnconforme uitleg van artikel 59 Vw Pro 2000, mede gelet op de Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG). Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie (arrest Kadzoev) volgt dat ongewenstverklaring en strafrechtelijke antecedenten op zichzelf niet langer als grondslag voor bewaring mogen dienen. Verweerder had aangevoerd dat de richtlijn niet van toepassing was op eiser en dat hij gebruik had gemaakt van een facultatieve uitsluiting, maar de rechtbank stelde vast dat de richtlijn nog niet in Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd en verweerder dus niet bevoegd was om eiser uit te sluiten van de werking ervan.
Daarmee was de bewaring van eiser vanaf het begin onrechtmatig. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval onmiddellijke opheffing van de bewaring en kende een schadevergoeding toe van €1.360,00 voor de onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten van €874,00. De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf op 28 maart 2011.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, heft de bewaring op en kent een schadevergoeding toe van €1.360,00.