ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4562
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- E. Weiss
- P.A. Koppen
- F.J. Verbeek
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit op grond van de TOS
Verzoeker, geboren in 1975 in Suriname als zoon van een Nederlandse moeder, verzocht de rechtbank vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Hij stelde dat hij tijdig had geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit binnen de termijn van artikel 6 lid 4 van Pro de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten (TOS).
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) betwistte dit en stelde dat verzoeker niet tijdig een visumaanvraag had gedaan en dat er twijfel bestond over zijn identiteit in relatie tot een andere persoon met een andere geboortedatum en naam. De rechtbank stelde vast dat verzoeker ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS met zijn moeder in Suriname verbleef en op grond van de TOS de Nederlandse nationaliteit verloor omdat hij de nationaliteit van zijn moeder volgde.
De rechtbank oordeelde dat artikel 6 lid 4 van Pro de TOS niet bedoeld is om meerderjarigen alsnog de gelegenheid te geven te opteren voor een andere nationaliteit dan die van hun ouders, maar slechts een correctiemogelijkheid biedt voor minderjarigen die anders een andere nationaliteit zouden hebben gekregen als zij meerderjarig waren geweest. Daarom kon verzoeker niet met rechtsgevolg opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Het verzoek werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit wordt afgewezen omdat verzoeker deze niet bezit op grond van de TOS.