ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4464
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting van vreemdelingbewaring na zes maanden zonder wettelijke grondslag
Eiser werd op 3 juni 2010 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder verlengde de bewaring op 13 december 2010 met twaalf maanden, verwijzend naar artikel 15 van Pro de Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG, die echter nog niet in nationale wetgeving was geïmplementeerd.
De rechtbank stelde vast dat de maximale bewaringsduur volgens de richtlijn zes maanden bedraagt en dat een verlenging slechts mogelijk is indien dit in nationale wetgeving is geregeld. Omdat Nederland de richtlijn niet tijdig had omgezet, ontbrak een wettelijke grondslag voor de verlenging na zes maanden, waardoor de voortzetting van de bewaring vanaf 24 december 2010 onrechtmatig werd.
Hoewel verweerder stelde dat eiser het onderzoek naar zijn identiteit had gefrustreerd, vond de rechtbank dat dit het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld na zes maanden zwaarder woog dan het belang van verweerder bij voortzetting van de bewaring.
De rechtbank kende eiser een schadevergoeding toe van € 1.040 voor de onrechtmatige bewaring van 24 december 2010 tot 6 januari 2011 en veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten. Het beroep werd gegrond verklaard en de bewaring per direct opgeheven.
Uitkomst: De bewaring van eiser werd per direct opgeheven wegens onrechtmatigheid na zes maanden en hij kreeg een schadevergoeding van € 1.040 toegekend.