ECLI:NL:RBSGR:2011:BP3547
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring vreemdeling na bijna twaalf maanden zonder concrete uitzettingsdatum
Eiser, een Syrische vreemdeling, verbleef sinds 4 februari 2010 in bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Op 17 januari 2011 stelde hij beroep in tegen het voortduren van zijn bewaring en tegen het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn. De rechtbank onderzocht of de verlenging van de bewaring rechtmatig was, mede in het licht van de Europese Terugkeerrichtlijn.
De rechtbank constateerde dat de Nederlandse wetgeving nog niet volledig richtlijnconform was geïmplementeerd en dat het verlengingsbesluit niet als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht kon worden aangemerkt, waardoor zij onbevoegd was om over dat beroep te oordelen. Wel werd het beroep tegen het voortduren van de bewaring gegrond verklaard.
De belangenafweging leidde tot het oordeel dat na twaalf maanden bewaring het belang van de vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld zwaarder weegt dan het algemeen belang bij voortzetting van de bewaring, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Aangezien eiser nog geen twaalf maanden in bewaring was en geen bijzondere omstandigheden waren gebleken, en omdat geen concrete uitzettingsdatum voorzien was, werd de bewaring opgeheven. Een verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven omdat het belang van de vreemdeling zwaarder weegt dan het algemeen belang bij voortzetting zonder concrete uitzettingsdatum.