ECLI:NL:RBSGR:2011:BP3126
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag wegens onvoldoende bewijs duurzame relatie met EU-partner
Eiser, een Turkse nationaliteit bezittende persoon woonachtig in Turkije, heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd om zich bij zijn Griekse partner in Nederland te voegen. Verweerder wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van een duurzame relatie en gegronde vrees voor vestigingsgevaar. De rechtbank toetste zonder terughoudendheid of sprake was van een deugdelijk bewezen duurzame relatie zoals bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De rechtbank oordeelde dat een relatieverklaring alleen onvoldoende bewijs vormt en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij en zijn partner langer dan zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren of andere objectief verifieerbare bewijzen had geleverd. Geldtransacties, ansichtkaarten en foto's boden onvoldoende bewijs. De rechtbank bevestigde dat het beleid van verweerder om een minimumtermijn van zes maanden te hanteren niet onjuist is, maar dat ook andere feiten kunnen bijdragen aan het bewijs van duurzaamheid.
Verder stelde de rechtbank vast dat het visum voor kort verblijf met het oog op verkrijging van een document als bedoeld in artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 geen verblijfsvergunning is en dat de aanvraag daarom niet zonder meer aan artikel 8 EVRM Pro hoeft te worden getoetst. De belangenafweging mocht verweerder doorslaggevend hechten aan het vestigingsgevaar. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van een duurzame relatie.