ECLI:NL:RBSGR:2010:BP9797
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- L. van Gijn
- C. van Linschoten
- E. Klein Egelink
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in asielprocedure afgewezen en vervolgens toegekend
Eiser verzocht om schadevergoeding wegens de lange duur van zijn asielprocedure, waarin onderzoek plaatsvond op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder wees dit verzoek af met het argument dat de zaak complex was en de overschrijding gerechtvaardigd.
De rechtbank oordeelde dat de zaak niet zodanig ingewikkeld was dat de overschrijding van meer dan een jaar en tien dagen gerechtvaardigd kon worden. Het onderzoek in de bezwaarfase was niet het zwaartepunt en de samenloop met de asielaanvraag van de echtgenote bood geen reden voor vertraging.
De rechtbank wees materiële schadevergoeding af wegens het relativiteitsvereiste, maar kende immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten in bezwaar en beroep. Het totaalbedrag van de immateriële schadevergoeding werd vastgesteld op €1500.
De uitspraak benadrukt het belang van een redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedures en sluit aan bij jurisprudentie van het EHRM en de Afdeling bestuursrechtspraak.
Uitkomst: Eiser krijgt een immateriële schadevergoeding van €1500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de asielprocedure.