ECLI:NL:RBSGR:2010:BO8941
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning en weigering asielverzoek wegens onvoldoende positieve overtuigingskracht
Eiser, een Iraakse nationaliteit, werd geconfronteerd met ontvoeringen en losgeldbetalingen in Irak, waarna hij besloot het land te verlaten en een verblijfsvergunning in Nederland aanvroeg. Verweerder trok de verblijfsvergunning in omdat het categoriale beschermingsbeleid was beëindigd en weigerde een nieuwe verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende bewijs en positieve overtuigingskracht van het asielrelaas.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de verblijfsvergunning kon intrekken omdat de grond voor verlening was komen te vervallen na beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid. Daarnaast werd geoordeeld dat verweerder in redelijkheid het ontbreken van reis- en identiteitsdocumenten aan eiser mocht tegenwerpen en dat het asielrelaas onvoldoende positieve overtuigingskracht had, vooral vanwege tegenstrijdigheden over de eigendom en exploitatie van een schoenenfabriek.
Eiser stelde dat het geweld in Irak was toegenomen en dat daarom een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn bestond, maar de rechtbank vond deze stelling onvoldoende onderbouwd. De rechtbank concludeerde dat verweerder niet verplicht was te toetsen aan artikel 16 van Pro de Definitierichtlijn bij intrekking van de verblijfsvergunning.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en de weigering van het asielverzoek wordt ongegrond verklaard.