ECLI:NL:RBSGR:2010:BO8353

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
15 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
377291 / HA ZA 10-3600
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 FwArt. 122 Fw
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in verificatiegeschil bij faillissement met lopende arbitrale procedure

In het faillissement van Aannemersbedrijf [A] B.V. ontstond een geschil over een door de curator betwiste vordering van eiser, die voortvloeide uit een koop- en aannemingsovereenkomst met een arbitrageclausule. Eiser had het geschil al voor de faillissementsdatum aan de Raad van Arbitrage voor de Bouw voorgelegd.

De curator verwees het geschil op grond van artikel 122 Faillissementswet Pro naar de rechtbank voor een verificatievergadering. Eiser stelde zich op het standpunt dat de rechtbank onbevoegd was vanwege de lopende arbitrale procedure en vorderde subsidiar de aanhouding van de procedure.

De rechtbank oordeelde dat artikel 29 Faillissementswet Pro ook van toepassing is op aanhangige arbitrale procedures en dat deze door het faillissement geschorst zijn, maar voortgezet dienen te worden als de verificatie van de vordering wordt betwist. Artikel 122 Faillissementswet Pro ziet niet op voortzetting van geschorste arbitrale procedures.

Daarom had de arbitrale procedure voortgezet moeten worden en was de rechtbank niet bevoegd om kennis te nemen van het geschil. De incidentele exceptie van onbevoegdheid werd toegewezen en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verificatiegeschil en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 377291 / HA ZA 10-3600
Vonnis in het bevoegdheidsincident van 15 december 2010
in de zaak van
1. [eiser sub 1],
2. [eiseres sub 2],
beiden wonende te [woonplaats],
eisers tot verificatie,
eisers in het incident,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te 's-Gravenhage,
tegen
[curator],
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap Aannemersbedrijf [A] B.V., voorheen gevestigd te Alphen aan den Rijn,
verweerder tot verificatie,
verweerder in het incident,
[advocaat] te [plaats].
Partijen zullen hierna [eiser] (mannelijk enkelvoud) en de curator worden genoemd.
1.De procedure
1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de verificatievergadering in het faillissement van Aannemersbedrijf [A] B.V. (hierna: "[A]") van 8 juli en 2 of 10 september 2010;
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met productie;
- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, met producties.
1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident.
2.De overwegingen
2.1.Op 8 juli en 2 of 10 september 2010 heeft een verificatievergadering plaatsgevonden in het op 1 augustus 2007 uitgesproken faillissement van [A]. Ter gelegenheid van deze vergaderingen is aan de orde geweest een door [eiser] ingediende en door de curator gedeeltelijk betwiste vordering op de boedel van [A]. De waarnemend rechter-commissaris heeft, toen hij de curator en [eiser] - die ter verificatievergaderingen overigens niet aanwezig was - niet kon verenigen, het geschil terzake van deze vordering op de voet van artikel 122 Fw Pro verwezen naar de rolzitting van deze rechtbank van 20 oktober 2010 voor conclusie aan de zijde van [eiser].
2.2.[eiser] heeft bij incidentele conclusie de exceptie van onbevoegdheid ingeroepen. Hij stelt daartoe dat hij met [A] een koop- en aannemingsovereenkomst heeft gesloten tot de bouw en levering van een woning. In deze overeenkomst is een arbitrageclausule opgenomen op grond waarvan geschillen naar aanleiding van de koop- en aannemingsovereenkomst dienen te worden beslecht door de Raad van Arbitrage voor de Bouw. Vóór de faillissementsdatum heeft [eiser] een geschil uit hoofde van de koop- en aannemingsovereenkomst ter beslechting voorgelegd aan de Raad van Arbitrage voor de Bouw. Dit geschil heeft betrekking op gebrekkig door [A] verrichte werkzaamheden en de kosten van in opdracht van [eiser] met toestemming van [A] door derden uitgevoerde herstelwerkzaamheden die [A] is strijd met de afspraken niet heeft vergoed. De rechtbank dient zich volgens [eiser], gelet op het overeengekomen arbitraal beding en de thans aanhangige arbitrale procedure, primair onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van het onderhavige geschil. Subsidiair vordert [eiser] dat de rechtbank de onderhavige procedure zal aanhouden in afwachting van de uitkomst van de arbitrale procedure. Meer subsidiair vordert [eiser] erkenning van zijn vordering in het faillissement.
2.3.De curator heeft gemotiveerd verweer gevoerd in het incident. Primair stelt hij zich op het standpunt dat sprake is van een geschil waarvoor arbitrage krachtens het reglement voor arbitrage voor geschillen in de bouw is uitgesloten. Subsidiair is de curator van mening dat artikel 122 jo Pro artikel 29 Fw Pro geen exclusieve bevoegdheid scheppen voor de Raad van Arbitrage voor de Bouw, terwijl deze artikelen evenmin tot de conclusie leiden dat de civiele rechter onbevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen. Meer subsidiair betoogt de curator dat de civiele rechter vanwege zijn deskundigheid en vanwege proceseconomische redenen de meest geëigende rechter is om van dit geschil kennis te nemen.
2.4.De rechtbank overweegt als volgt. De waarnemend rechter-commissaris heeft op de voet van artikel 122 Fw Pro de curator en [eiser] verwezen naar een terechtzitting van de rechtbank toen hij hen terzake van de door [eiser] ter verificatie ingediende en door de curator gedeeltelijk betwiste vordering niet kon verenigen. Ten tijde van het faillissement van [A] had [eiser] zijn geschil met [A] uit hoofde van de koop- en aannemingsovereenkomst reeds ter beslechting voorgelegd aan de Raad van Arbitrage voor de Bouw. Op grond van het bepaalde in artikel 29 Fw Pro is deze arbitrale procedure als gevolg van de faillietverklaring geschorst om alleen dan voortgezet te worden indien de verificatie van de vordering wordt betwist. Uit de literatuur en jurisprudentie bij dit artikel (Christiaans/Verstijlen 2008 (T&C Insolventierecht), art. 29 Fw Pro, aant. 5, Wessels Insolventierecht II, par. 2429 en rechtbank Utrecht 4 september 2002, NJkort 2002, 82; TvA 2004, 14) blijkt immers dat het artikel ook op aanhangige arbitrale procedures van toepassing moet worden geacht. Daaruit volgt tevens dat moet worden aangenomen dat ingeval van betwisting van de verificatie van de vordering het geding ook voor de arbiters dient te worden voortgezet en dat artikel 122 Fw Pro aldus niet ziet op de voortzetting van door het faillissement geschorste arbitrale procedures.
2.5.Een en ander maakt dat de betwisting van de verificatie door de curator had moeten leiden tot een voortzetting van de arbitrale procedure en dat de waarnemend rechter-commissaris de curator en [eiser] ten onrechte heeft verwezen naar een terechtzitting van deze rechtbank. De rechtbank is dan ook - anders dan de curator in het incident betoogt - niet bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen. Hetgeen de curator subsidiair en meer subsidiair heeft aangevoerd stuit immers reeds af op hetgeen hiervoor is overwogen, terwijl het primair gevoerde verweer dat sprake is van een geschil waarvoor arbitrage krachtens het reglement voor arbitrage voor geschillen in de bouw is uitgesloten, eerst in de arbitrale procedure door de curator kan worden gevoerd.
2.6.Conclusie op grond van het voorgaande is dat de incidentele vordering zal worden toegewezen. In de omstandigheid dat geen van beide partijen de waarnemend rechter-commissaris ter gelegenheid van de verificatievergadering (expliciet) heeft gewezen op de aanhangige arbitrale procedure, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten in zowel de hoofdzaak als in het incident op hierna te vermelden wijze te compenseren.
3.De beslissing
De rechtbank:
in de hoofdzaak en in het incident:
- verklaart zich onbevoegd om van het verificatiegeschil tussen de curator en [eiser] kennis te nemen;
- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.