ECLI:NL:RBSGR:2010:BO8295

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
16 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
319090 - HA RK 08-915
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.Th. Nijhuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WNIArt. 6 lid 1 TOSArt. 2 lid 1 TOSArt. 7 WNIArt. 10 Landsverordening Surinamerschap
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van een minderjarige na Surinaamse naturalisatie vader

Verzoeker heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om vast te stellen dat hij sinds zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit, mede gebaseerd op een vonnis uit Suriname dat zijn moeder de Surinaamse nationaliteit niet bezit en haar met terugwerkende kracht de Nederlandse nationaliteit is verleend.

De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzet zich tegen het verzoek en stelt dat verzoeker door medenaturalisatie met zijn vader op 9 januari 1982 de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen en daardoor het Nederlanderschap heeft verloren volgens de toen geldende wetgeving. De IND voert aan dat er geen aanwijzingen zijn dat verzoeker het Nederlanderschap na die datum heeft herkregen.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker bij zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit bezat via zijn vader. Bij de onafhankelijkheid van Suriname verkreeg hij de Surinaamse nationaliteit en verloor de Nederlandse. Zijn vader koos in 1979 voor het Nederlanderschap, waardoor verzoeker dit ook verkreeg. Echter, bij de naturalisatie van zijn vader in Suriname in 1982 verkreeg verzoeker als minderjarige ook de Surinaamse nationaliteit en verloor het Nederlanderschap. Verzoeker heeft niet binnen een jaar na meerderjarigheid aangegeven hiervan af te willen zien.

De rechtbank concludeert dat verzoeker het Nederlanderschap niet meer bezit en wijst het verzoek af. De beschikking is uitgesproken door mr. M.Th. Nijhuis op 16 december 2010.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat verzoeker het Nederlanderschap heeft verloren door medenaturalisatie met zijn vader.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector civiel recht
JKL
zaaknummer / rekestnummer: 319090 / HA RK 08-915
Beschikking van 16 december 2010
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende [woonplaats] te Suriname,
verzoeker,
advocaat: mr. S. de Schutter te Amsterdam,
t e g e n:
DE STAAT DER NEDERLANDEN
(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Immigratie- en Naturalisatiedienst),
zetelende te Den Haag,
belanghebbende,
vertegenwoordigd door: mr. L.C.M. Hakkaart.
Partijen worden hierna ook aangeduid met "[verzoeker]" en "de IND".
1. Het procesverloop
1.1[verzoeker] heeft op 19 augustus 2008 een verzoekschrift ingediend waarin hij de rechtbank verzoekt vast te stellen dat hij sinds zijn geboorte op [geboortedatum] 1972 de Nederlandse nationaliteit bezit, met veroordeling van de IND in de kosten van deze procedure. Aanvullende informatie op het verzoekschrift is ontvangen bij brief van 9 februari 2009.
1.2De IND heeft zich bij brief van 24 juli 2009 op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen.
1.3De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaats gevonden op donderdag 25 november 2010. Namens de IND is mr. Hakkaart verschenen. Mr. J. van Appia heeft namens mr. De Schutter de rechtbank een kwartier voor de zitting per fax bericht wegens verplichtingen elders niet op de zitting te zullen verschijnen. Hij heeft daarbij namens mr. De Schutter tevens verzocht de zaak op de stukken af te doen. De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven zich aan te sluiten bij de conclusie van de IND en geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de zitting.
2. Het verzoek en het verweer
2.1[verzoeker] voert aan dat hij naast de Surinaamse ook de Nederlandse nationaliteit bezit. Dit blijkt volgens hem uit een vonnis van de Kantonrechter te Suriname van 5 juni 2001 waarin voor recht is verklaard dat zijn moeder, [moeder van verzoeker], de Surinaamse nationaliteit niet bezit, waarna aan haar met terugwerkende kracht de Nederlandse nationaliteit is verleend. [verzoeker] meent dat hij zich daarom ook op de Nederlandse nationaliteit kan beroepen.
2.2De IND komt tot de conclusie dat [verzoeker] op 9 januari 1982 als minderjarige door medenaturalisatie met zijn vader de Surinaamse nationaliteit verkreeg en daardoor op die datum het Nederlanderschap verloor op grond van het bepaalde in artikel 7 aanhef Pro en onder 1 van de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI) van 1892. De IND stelt zich op het standpunt onvoldoende aanknopingspunten te hebben waaruit zou kunnen volgen dat [verzoeker] het Nederlanderschap na 9 januari 1982 heeft herkregen.
3. De beoordeling
3.1De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoekschrift uit van de volgende vaststaande en/of niet betwiste feiten. [verzoeker] is op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] (Suriname) geboren als wettig kind van mevrouw [moeder van verzoeker] en de heer [vader van verzoeker]. Bij zijn geboorte verkreeg [verzoeker] op grond van artikel 1 aanhef Pro en onder a van de WNI de Nederlandse nationaliteit, aangezien zijn vader ten tijde van zijn geboorte die nationaliteit bezat.
3.2Ten tijde van de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975 verbleef [verzoeker] met zijn vader in Suriname, waardoor hij op grond van het bepaalde in artikel 6 lid 1 van Pro de Toescheidingsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de republiek Suriname (TOS) de Surinaamse nationaliteit verkreeg, en op grond van artikel 2 lid 1 van Pro de TOS de Nederlandse nationaliteit verloor.
3.3Van 27 september 1978 tot 15 oktober 1982 stond [verzoeker] ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente Den Haag. Hij is op die datum uitgeschreven met de vermelding vertrek naar Suriname. Niet is gesteld of gebleken dat hij na die datum nog in Nederland woonachtig is geweest. De vader van [verzoeker] was van 26 juli 1979 tot 22 juni 1981 eveneens woonachtig in Nederland. Op 3 september 1979 heeft hij ingevolge artikel 7 lid 1 van Pro de TOS geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit. [verzoeker] volgde de nationaliteit van zijn vader en verkreeg daarom op 3 september 1979 eveneens de Nederlandse nationaliteit.
3.4De vader van [verzoeker] is op 22 juni 1981 vertrokken naar Suriname. Hij herkreeg bij Decreet van 9 januari 1982 de Surinaamse nationaliteit. [verzoeker] was op dat moment nog minderjarig en verkreeg daarom op grond van artikel 10 van Pro de Landsverordening van 24 november 1975, tot regeling van het Surinamerschap en het Ingezetenschap eveneens de Surinaamse nationaliteit. Niet is gesteld of gebleken dat [verzoeker] binnen één jaar na het intreden van zijn meerderjarigheid zijn wil te kennen heeft gegeven om in de naturalisatie van zijn vader niet langer te worden begrepen, zodat hij nog steeds in het bezit is van de Surinaamse nationaliteit. De Nederlandse nationaliteit van zijn moeder doet daaraan niet af.
3.5Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek dient te worden afgewezen.
BESCHIKKENDE:
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.Th. Nijhuis en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.