ECLI:NL:RBSGR:2010:BO7013
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
Verzoeker is op 30 december 2009 ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter constateert dat het besluit tot ongewenstverklaring pas bijna vijf jaar na de definitieve uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de toepassing van artikel 1(F) is genomen. Dit lange tijdsverloop wekt twijfel over het gewicht dat verweerder toekent aan de bescherming van de openbare orde, terwijl dit juist het belangrijkste motief is voor de ongewenstverklaring.
Verzoeker voert aan dat zijn betrokkenheid bij de Khad/WAD beperkt was en dat medische en gezinsomstandigheden een terugkeer naar Afghanistan problematisch maken. Verweerder handhaaft de ongewenstverklaring en wijst op het belang van de openbare orde. De voorzieningenrechter oordeelt dat het bezwaar kans van slagen heeft en dat de belangen van verzoeker zwaarder wegen zolang het bezwaar niet is behandeld.
Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen, wordt verweerder verboden tot uitzetting over te gaan en worden de proceskosten aan verweerder opgelegd. Tevens wordt opgemerkt dat artikel 78 Vw Pro 2000 niet van toepassing is in deze procedure.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting wordt verboden totdat op bezwaar is beslist.