ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5645
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting bewaring en zicht op uitzetting naar China
De vreemdelinge, van Chinese nationaliteit en zonder identiteits- of reisdocument, was in bewaring gesteld met het oog op uitzetting naar China. Zij stelde dat zij actief meewerkte aan haar vertrek en dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede verwijzend naar eerdere jurisprudentie.
De rechtbank overwoog dat de Chinese autoriteiten bereid zijn een laissez-passer te verstrekken indien volledige en juiste informatie wordt verstrekt en het onderzoek niet wordt gefrustreerd. Het tijdsverloop sinds de afgifte van meerdere laissez-passers in mei 2010 was onvoldoende om het zicht op uitzetting te ontkennen. Diverse hoogambtelijke contacten tussen Nederlandse en Chinese autoriteiten bevestigden dit.
De rechtbank stelde dat van de vreemdelinge mag worden verwacht dat zij volledige en actieve medewerking verleent om documenten te verkrijgen. Haar algemene brief aan de Chinese consul werd als onvoldoende beoordeeld. Er waren geen bijzondere omstandigheden die haar onvermogen tot medewerking aannemelijk maakten.
Gelet op deze omstandigheden oordeelde de rechtbank dat de voortzetting van de bewaring rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.