ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3470
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte ontucht minderjarige werkneemster wegens onvoldoende bewijs
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde de zaak waarin verdachte werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met zijn minderjarige werkneemster in de periode van juni 2001 tot juli 2002. De officier van justitie baseerde zich op verklaringen van de aangeefster, getuigenverklaringen en hotelbonnen om de tenlastelegging te onderbouwen. Verdachte ontkende de ontuchtige handelingen, maar erkende wel een meer dan vriendschappelijke relatie met de aangeefster.
Tijdens de terechtzitting werd uitgebreid bewijs besproken, waaronder verklaringen van de aangeefster, haar moeder, een voormalige werknemer en verdachte zelf. De verdediging voerde aan dat de verklaringen van de aangeefster ongeloofwaardig waren, mede door haar dissociatieve stoornis en het ontbreken van aanvullend technisch bewijs.
De rechtbank concludeerde dat hoewel er aanwijzingen waren voor een meer dan vriendschappelijke relatie, het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend te verklaren dat de ontuchtige handelingen daadwerkelijk hadden plaatsgevonden. Hierdoor sprak de rechtbank verdachte vrij. Tevens werd de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, die zij slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van ontucht met minderjarige werkneemster.