ECLI:NL:RBSGR:2010:BN2101
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM voor verblijf bij minderjarige dochter
Eiser, van Iraakse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn minderjarige dochter. Na eerdere afwijzingen en bezwaarprocedures verleende verweerder uiteindelijk een vergunning met ingang van 4 december 2007. Eiser stelde dat de vergunning eerder, vanaf 11 augustus 2005, had moeten ingaan omdat toen al sprake was van een intensief gezinsleven.
De rechtbank overwoog dat verweerder onterecht de ingangsdatum op 4 december 2007 had gesteld, omdat het samenwonen van eiser en zijn dochter niet het bepalende criterium is voor het ontstaan van de positieve verplichting op grond van artikel 8 EVRM Pro. Uit eerdere uitspraken en rapporten bleek dat reeds vanaf 11 augustus 2005 aan de voorwaarden was voldaan.
De rechtbank vernietigde het besluit voor zover de ingangsdatum op 4 december 2007 was gesteld en bepaalde dat verweerder opnieuw moet beslissen met ingang van 11 augustus 2005. Tevens werden proceskosten aan verweerder opgelegd.
Uitkomst: De verblijfsvergunning wordt met ingang van 11 augustus 2005 toegekend en het besluit met ingangsdatum 4 december 2007 wordt vernietigd.