ECLI:NL:RBSGR:2010:BN1276
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling relatieve bevoegdheid bij verzoek tot vaststelling hoofdverblijfplaats minderjarige
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde op 2 juni 2010 een verzoek van de vader tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem. Partijen zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag over het kind. De hoofdverblijfplaats was in het echtscheidingsconvenant bij de moeder vastgesteld. De vader hield de minderjarige na een weekend in maart 2010 ongeoorloofd achter, waarna de rechtbank 's-Hertogenbosch hem veroordeelde tot afgifte van het kind aan de moeder.
De vader stelde dat de rechtbank 's-Gravenhage bevoegd was omdat de minderjarige feitelijk bij hem verbleef. De gezinsvoogd adviseerde echter om het hoofdverblijf bij de moeder te houden en gaf een schriftelijke aanwijzing daartoe. De rechtbank oordeelde dat het verblijf bij de vader tijdelijk was en niet als feitelijke verblijfplaats kon worden gezien, mede omdat het sociale leven van het kind in de woonplaats van de moeder ligt.
Daarom verklaarde de rechtbank zich onbevoegd en verwees de zaak naar de rechtbank te 's-Hertogenbosch. De procedure omvatte diverse schriftelijke stukken en een mondelinge behandeling waarbij beide ouders met hun advocaten verschenen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank te 's-Hertogenbosch.