ECLI:NL:RBSGR:2010:BM9226
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de thincapregeling in relatie tot het gelijkheidsbeginsel en verdragsrechtelijke discriminatie
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een rentecorrectie op grond van artikel 10d van de Wet VPB, de zogenaamde thincapregeling, omdat zij meent dat deze regeling leidt tot ongelijke behandeling in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR).
De rechtbank heeft vastgesteld dat eiseres in het betreffende boekjaar een schuld had aan haar moedervennootschap en dat een deel van de rente op deze schuld niet in aftrek werd toegelaten. Eiseres stelt dat de thincapregeling ongelijke gevallen gelijk behandelt en gelijke gevallen ongelijk, zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging.
De rechtbank heeft de regeling getoetst aan artikel 14 EVRM Pro, artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol en artikel 26 IVBPR Pro. Uit jurisprudentie volgt dat de wetgever bij fiscale maatregelen een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat het oordeel van de wetgever wordt geëerbiedigd tenzij het van redelijke grond is ontbloot.
De rechtbank concludeert dat de thincapregeling niet alleen gericht is tegen verschuiving van de belastinggrondslag naar buitenlandse concernvennootschappen maar ook naar binnenlandse concernvennootschappen met lagere belastingdruk. Daarnaast is er een andere regeling voor rente van verbonden natuurlijke personen, waardoor cumulatie van regelingen niet is toegestaan. Deze keuzes zijn niet van redelijke grond ontbloot.
Daarom is de thincapregeling niet in strijd met de genoemde verdragsbepalingen en wordt het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de rentecorrectie op grond van de thincapregeling wordt ongegrond verklaard.