ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2528

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
12 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
Awb 09/11133
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:10 AwbArt. 9, eerste lid Vw 2000Art. 14 Vw 2000
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking aanbod verblijfsvergunning wegens strafrechtelijke veroordeling en vertrouwensbeginsel

Eiser, van Chinese nationaliteit, kreeg op 24 januari 2008 een aanbod tot ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet. Dit aanbod werd later ingetrokken omdat eiser was veroordeeld tot zes maanden jeugddetentie, wat een contra-indicatie vormt voor de Regeling.

De rechtbank onderzocht of het aanbod een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro was en daarmee niet herroepbaar. De rechtbank concludeerde dat het aanbod slechts een voorbereidingshandeling is en geen besluit, zodat intrekking mogelijk is. Tevens werd beoordeeld of eiser gerechtvaardigd vertrouwen had dat het aanbod zou worden nagekomen. Hoewel er sprake was van opgewekt vertrouwen, strekt het vertrouwensbeginsel niet zo ver dat een aanbod dat berust op een voor eiser kenbare fout in stand gehouden moet worden.

De rechtbank vond van belang dat eiser, ondanks dat hij niet op de hoogte was van de strafrechtelijke veroordeling, redelijkerwijs had kunnen weten van zijn veroordeling. De omstandigheid dat het een jeugddetentie betrof, maakt dit niet anders, omdat jeugddetentie gelijkgesteld wordt met gevangenisstraf. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het aanbod tot verlening van de verblijfsvergunning kon worden ingetrokken.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van het aanbod tot verblijfsvergunning is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE
nevenzittingsplaats Zwolle
Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken
Registratienummer: Awb 09/11133
Uitspraak
in het geding tussen:
[eiser],
geboren op [geboortedatum],
van Chinese nationaliteit,
IND dossiernummer [nummer], eiser,
gemachtigde mr. M.J.W. Melchers, advocaat te
Utrecht;
en
De Staatssecretaris van Justitie,
(Immigratie- en Naturalisatiedienst),
te 's-Gravenhage,
vertegenwoordigd door mr. E. Gerssen,
ambtenaar ten departemente, verweerder.
1. Procesverloop
Op 24 januari 2008 is aan eiser een aanbod gedaan om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (de Regeling).
Bij brief van 25 juni 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de schriftelijk kenbare handeling van 30 mei 2008, waaruit blijkt dat het aanbod van 24 januari 2008 wegens een ambtelijke misslag onterecht is toegezonden en komt te vervallen.
Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 18 maart 2009 ongegrond verklaard.
Bij brief van 30 maart 2009 is daartegen beroep ingesteld. Het beroep is voorzien van gronden bij brief van 27 mei 2009. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is ter zitting van 10 november 2009 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.H.H.P.M. Kelderman.
Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een nadere schriftelijke reactie te geven. Bij brief van 23 november 2009 heeft verweerder gereageerd. Eiser heeft bij brief van 30 november 2009 een reactie aan de rechtbank doen toekomen.
De rechtbank heeft aanleiding gezien de zaak met toepassing van artikel 8:10, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht te verwijzen naar een meervoudige kamer.
De behandeling van het beroep is ter zitting van 5 maart 2010 voortgezet. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
2. Overwegingen
2.1 Blijkens de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting is het geschil beperkt tot de vraag of verweerder het aanbod om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de Regeling heeft kunnen intrekken.
2.2 Verweerder heeft het aanbod ingetrokken, omdat is gebleken dat eiser is veroordeeld tot zes maanden jeugddetentie. Er is daarmee sprake van een contra-indicatie waardoor eiser niet aan de voorwaarden van de Regeling voldoet. Verweerder erkent dat middels verzending van de aanbodbrief sprake is van opgewekt vertrouwen. Schending van het vertrouwensbeginsel strekt in casu echter niet tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Regeling.
2.3 Eiser heeft aangevoerd dat het aanbod om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de Regeling een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit besluit kan niet worden ingetrokken, omdat het bij vergissing zou zijn genomen. Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij door het handelen van verweerder een gerechtvaardigd vertrouwen heeft gekregen dat het aanbod gestand zou worden gedaan. Eiser is bij verstek veroordeeld en eerst recent is tot tenuitvoerlegging overgegaan zodat eiser niet kon weten dat hij was veroordeeld. Eiser is bovendien veroordeeld tot jeugddetentie, hetgeen onderscheiden moet worden van gevangenisstraf.
2.4 De rechtbank ziet zich primair gesteld voor de vraag of het aanbod om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de Regeling een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb.
Anders dan eiser betoogt is de rechtbank van oordeel dat hiervan geen sprake is. Gelet op het bepaalde in artikel 3.104 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de beschikking, waarbij de aanvraag tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 en Pro 20 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), geheel of gedeeltelijk wordt ingewilligd, of waarbij de verblijfsvergunning ambtshalve wordt verleend of gewijzigd, bekendgemaakt door uitreiking van het document, bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw 2000, waaruit het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a onderscheidenlijk onder b, Vw 2000 blijkt. Een verblijfsvergunning op grond van de Regeling is daarom niet verleend op het moment waarop de vreemdeling het aanbod heeft aanvaard, maar eerst na uitreiking van voornoemd document, bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw 2000. Het aanbod om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de Regeling is derhalve (slechts) een voorbereidingshandeling om tot vergunningverlening over te gaan.
Er is derhalve geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb Pro. De intrekking van het aanbod moet echter, evenals het niet ambtshalve doen van een aanbod, worden aangemerkt als een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw 2000. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht ontvankelijk verklaard.
2.5 De rechtbank ziet zich voorts gesteld voor de vraag of eiser door het handelen van verweerder het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gekregen dat het aanbod gestand zou worden gedaan.
De rechtbank overweegt hiertoe dat bij eiser weliswaar sprake kan zijn geweest van opgewekt vertrouwen dat hij in het bezit zou worden gesteld van een verblijfsvergunning op grond van de Regeling, echter het vertrouwensbeginsel strekt niet zo ver dat, indien het aanbod op een voor eiser kenbare fout berust, verweerder gehouden is dit aanbod gestand te doen en eiser een verblijfsvergunning op grond van de Regeling te verlenen.
De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser, voor zover hij niet op de hoogte was van de strafrechtelijke veroordeling, redelijkerwijs wel had kunnen weten dat hiervan sprake was.
De omstandigheid dat eiser is veroordeeld tot jeugddetentie maakt dit niet anders, nu blijkens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2009 (JV 2010,69) jeugddetentie gelijkgesteld dient te worden met gevangenisstraf.
2.6 Gelet op het vorenstaande heeft verweerder het aanbod om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de Regeling kunnen intrekken. Het beroep is ongegrond.
2.7 Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
3. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mrs. W.J.B. Cornelissen en J.F.M.J. Bouwman, rechters, en door de voorzitter en mr. M.H.B. Boksebeld als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2010.
Afschrift verzonden op: 12 april 2010
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.
Artikel 85 Vw Pro 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb Pro (herstel verzuim) is niet van toepassing.