ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2236
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- M.Th. Nijhuis
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot beëindiging detentie en overplaatsing naar minder beveiligde inrichting
De zaak betreft een kort geding waarin eiser verzoekt om primair zijn detentie te beëindigen en subsidiair overgeplaatst te worden naar een (zeer) beperkt beveiligde inrichting. Eiser werd veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan de tenuitvoerlegging nog niet was verjaard. Hij stelt dat de Staat te lang heeft stilgezeten met executie, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro oplevert, en dat de detentie disproportioneel is.
De rechtbank oordeelt dat het wettelijk stelsel bepaalt dat een onherroepelijke straf ten uitvoer moet worden gelegd en dat de burgerlijke rechter in beginsel niet de rechtmatigheid van deze tenuitvoerlegging mag toetsen. Artikel 6 EVRM Pro is niet van toepassing op de executiefase, en er is geen aanwijzing dat de Staat verwijtbaar heeft gehandeld. De Staat heeft meerdere pogingen gedaan tot executie, terwijl eiser slechts één zelfmeldverzoek erkent.
Ten aanzien van de subsidiaire vordering tot overplaatsing stelt de rechtbank dat eiser niet-ontvankelijk is omdat hij geen formeel verzoek tot overplaatsing heeft ingediend bij de selectiefunctionaris, terwijl tegen een weigering beroep mogelijk is. De disciplinaire maatregel die eiser kreeg, en de kans van slagen van een verzoek tot overplaatsing, blijven buiten beschouwing.
De rechtbank wijst de vorderingen af en bepaalt dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen, waarbij de Staat de kosten voor eigen rekening neemt vanwege onvoldoende informatieverstrekking voorafgaand aan de procedure.
Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van de detentie en overplaatsing wordt afgewezen; partijen dragen ieder hun eigen kosten.