ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8607

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
25 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
292523 / HA RK 07-863
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Rijkswet op het Nederlanderschapartikel 14 RWN
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit wegens gebruik valse persoonsgegevens bij naturalisatie

Verzoeker heeft in 1998 bij Koninklijk Besluit de Nederlandse nationaliteit verkregen op basis van valse of fictieve persoonsgegevens. Na onderzoek door de gemeente Rotterdam en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is vastgesteld dat verzoekers werkelijke naam en geboortedatum afwijken van de gegevens in het naturalisatiebesluit.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de constatering van de IND, maar dit bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard en de daaropvolgende beroepsprocedures bij rechtbank en Raad van State zijn ongegrond verklaard. Verzoeker stelt dat hij ondanks de naamwijziging dezelfde persoon is en dat bijzondere omstandigheden moeten leiden tot erkenning van zijn nationaliteit.

De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Hoge Raad, die onderscheid maakt tussen naturalisaties voor en na 1 april 2003. Voor naturalisaties vóór die datum geldt dat een besluit met valse persoonsgegevens geen rechtsgevolg heeft, tenzij bijzondere omstandigheden dit anders maken. De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet bevoegd was de gebruikte geslachtsnaam te voeren en dat geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken.

Daarom mist het Koninklijk Besluit van 1998 ten aanzien van verzoeker rechtsgevolg en wordt het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het bezit van de Nederlandse nationaliteit wordt afgewezen omdat het naturalisatiebesluit is gebaseerd op valse persoonsgegevens en geen rechtsgevolg heeft.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector civiel recht
JKL
zaaknummer / rekestnummer: 292523 / HA RK 07-863
Beschikking van 25 februari 2010
in de zaak van:
[verzoeker]
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,
t e g e n:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelende te 's-Gravenhage,
belanghebbende,
vertegenwoordigd door mr. R.J. Noks.
Partijen worden hierna aangeduid met "[verzoeker]" en "de Staat".
1. Het procesverloop
1.1 [verzoeker] heeft op 31 juli 2007 een verzoekschrift ingediend waarin hij de rechtbank verzoekt vast te stellen dat hij in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
1.2 De Staat heeft bij brief van 7 december 2007 zijn standpunt kenbaar gemaakt. Hij komt tot de conclusie dat [verzoeker] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
1.3 In afwachting van een uitspraak in een bezwaarschriftprocedure is de zaak pro forma aangehouden. Nadat de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 8 juli 2009 uitspraak had gedaan, heeft mr. Kamminga verzocht om een mondelinge behandeling van het verzoekschrift. De officier van justitie heeft te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling.
1.4 De mondelinge behandeling heeft plaats gevonden op donderdag 14 januari 2010. [verzoeker] is verschenen, vergezeld van mr. C. Chen, advocaat te Rotterdam. Namens de Staat is mr. R.J. Noks verschenen.
2. De beoordeling
2.1 Verzoeker is onder opgaaf van de personalia [personalia verzoeker] geboren op [datum] 1957 te Teheran (Iran) in december 1992 Nederland binnengekomen. Onder deze personalia is aan [verzoeker] bij Koninklijk Besluit van 8 september 1998, nr. 98004378 het Nederlanderschap verleend. Op 26 augustus 2004 heeft verzoeker de gemeente Rotterdam verzocht zijn naam te wijzigen in [voornamen en achternamen]. Bij dat verzoek is door hem een origineel Iraans geboortebewijs overgelegd met de voornaam: [voornamen] en de achternaam: [achternaam] en met de geboortedatum [geboortedatum] 1959. De gemeente Rotterdam heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de identiteit van verzoeker.
2.2 Bij brief van 29 mei 2007 heeft de IND aan de raadsman van verzoeker bericht dat het Koninklijk Besluit van 8 september 1998 waarbij aan [verzoeker] het Nederlanderschap is verleend rechtsgevolg mist aangezien daarin persoonsgegevens zijn opgenomen die verzoeker niet identificeren. De werkelijke namen van verzoeker luiden immers - aldus de IND - [achternaam] [voornamen] en zijn geboortedatum moet zijn [geboortedatum] 1959.
2.3 Verzoeker heeft tegen voormelde brief van 29 mei 2007 een bezwaarschrift ingediend. Bij beschikking van 18 juli 2007 is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. Tegen die beschikking heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht. Het beroep is bij beslissing van 30 oktober 2008 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Bij beslissing van 8 juli 2009 heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de beslissing van de rechtbank Rotterdam bevestigd.
2.4 Het verzoek van [verzoeker] komt er samengevat op neer dat hij, indien komt vast te staan dat hij niet (meer) in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, terug zal moeten keren naar Iran. De banden met Iran heeft hij verbroken en hij loopt bij terugkeer gevaar. Zijn persoon verandert niet wanneer zijn naam wordt gewijzigd. Hij is nog altijd dezelfde biologische persoon als voorheen. Een eventueel gebrek in zijn naam moet hersteld kunnen worden. Hij meent dat hij gezien en behandeld moet worden als iemand die altijd de Nederlandse nationaliteit heeft gehad, aldus nog steeds verzoeker.
2.5 De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 juni 2006 beslist dat onderscheid moet worden gemaakt tussen naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) met ingang van 1 april 2003 en naturalisatiebesluiten van ná die datum. Voor de eerste groep geldt dat een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene - behoudens bijzondere omstandigheden - niet identificeert, en daarom geen rechtsgevolg heeft. Het Nederlanderschap is dan nooit verkregen. Voor de tweede groep geldt dat naturalisatiebesluiten geldig zijn en hun werking pas verliezen als zij door de Minister worden ingetrokken. Intrekking is mogelijk als een naturalisatiebesluit is verkregen met gebruikmaking van valse of fictieve persoonsgegevens.
2.6 Het praktisch effect van bedoelde beschikking van de Hoge Raad is dat degene die is genaturaliseerd vóór 1 april 2003 thans een volledig andere behandeling en toetsing ten deel valt dan degene die ná die datum het Nederlanderschap heeft verkregen. Daarbij springt met name in het oog dat de Minister op grond van het thans geldende artikel 14 RWN Pro kan overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap zodat er voldoende ruimte is deze verstrekkende sanctie toe te spitsen op alle omstandigheden van het geval. Nu de Hoge Raad in twee op 23 februari 2007 gewezen beschikkingen duidelijk heeft vastgehouden aan zijn beschikking van 30 juni 2006, zal de rechtbank de daarin neergelegde regels tot uitgangspunt nemen bij haar beoordeling. Ter beoordeling staat derhalve of verzoeker het naturalisatiebesluit heeft verkregen met gebruikmaking van valse of fictieve persoonsgegevens en, zo dat het geval is, of bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat verzoeker desondanks wel voldoende geïdentificeerd was.
2.7 De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat verzoeker de geslachtsnaam [verzoeker] bevoegdelijk mocht voeren. Ook in Iran stond verzoeker niet bekend onder de geslachtsnaam [verzoeker], zodat hij indertijd gebruik heeft gemaakt van valse of fictieve persoonsgegevens waardoor hij ten behoeve van een deugdelijk antecedentenonderzoek onvoldoende identificeerbaar was. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de in het Koninklijk Besluit van 8 september 1998 opgenomen personalia verzoeker voldoende identificeren. Het besluit mist derhalve ten aanzien van verzoeker rechtsgevolg.
2.8 Hieraan doet niet af dat - zoals verzoeker heeft aangevoerd - hij bij binnenkomst in Nederland in 1992 om zijn familieleden in het land van herkomst (Iran) te beschermen en om zelf geen last te hebben van de Iraanse autoriteiten, de geslachtsnaam van zijn moeder heeft gebruikt, of dat zijn geboortedatum verkeerd is omgerekend. Overigens is het de vraag of het niet-behouden van de Nederlandse nationaliteit tot gevolg heeft dat verzoeker naar Iran wordt uitgezet.
2.9 Gelet op het vorenstaande moet het verzoek worden afgewezen.
BESLISSING:
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. B.C. Punt, E. Kouwenhoven en C. van den Steenhoven-Blanken en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 februari 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.