ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8005
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning wegens ernstige redenen op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag en risico op artikel 3 EVRM-behandeling
Eiser, een Turkse staatsburger, vroeg asiel aan in Nederland maar werd de verblijfsvergunning geweigerd vanwege ernstige redenen om aan te nemen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige niet-politieke misdrijven zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder baseerde dit onder meer op een Zwitserse veroordeling voor diverse ernstige misdrijven en de signalering bij Turkse autoriteiten wegens vermeende deelname aan een terroristische organisatie.
De rechtbank bevestigde dat eiser persoonlijk en bewust heeft deelgenomen aan de misdrijven en dat de weigering van de vergunning gerechtvaardigd is. Daarnaast onderzocht de rechtbank of het weigeren van de vergunning in strijd is met artikel 3 EVRM Pro, dat bescherming biedt tegen foltering en onmenselijke behandeling bij terugkeer. De rechtbank volgde verweerder in het oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij duurzaam niet kan worden uitgezet en dat er uitzicht is op verandering van omstandigheden, mede omdat de ongewenstverklaring in Zwitserland naar verwachting in 2012 eindigt.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.