ECLI:NL:RBSGR:2010:BL7995

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
9 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/36220 & AWB 09/45753
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • A. van ‘t Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 14 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.4 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende bewijs vrijwillig vertrek China

Verzoekster, een Chinese nationaliteit bezittende vreemdeling, vroeg op 8 december 2008 een verblijfsvergunning aan op grond van de Vreemdelingenwet 2000, omdat zij buiten haar schuld niet uit Nederland kon vertrekken. Verweerder wees haar aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Verzoekster stelde beroep in tegen deze beslissing.

De voorzieningenrechter onderzocht of het beleid omtrent vreemdelingen die buiten hun schuld niet kunnen vertrekken, zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000, correct werd toegepast. Verweerder stelde dat Chinese autoriteiten documenten, waaronder Laissez Passers, afgeven aan vreemdelingen die vrijwillig vertrekken en hun juiste persoonsgegevens verstrekken. Verzoekster kon dit niet overtuigend weerleggen.

De rechtbank oordeelde dat verzoekster niet voldeed aan haar bewijslast om aan te tonen dat zij buiten haar schuld niet kon vertrekken, mede omdat zij onvoldoende had aangetoond dat de Chinese autoriteiten geen reisdocumenten verstrekken. Ook werd gewezen op de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om medewerking te zoeken van de autoriteiten en DT&V. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat verzoekster buiten haar schuld niet kan vertrekken.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector Bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
Voorzieningenrechter
Nevenzittingsplaats Rotterdam
Reg.nr.: AWB 09/36220 & AWB 09/45753
V-nummer: […]
Inzake: […], verzoekster,
gemachtigde mr. K.R. Verkaart, advocaat te Rotterdam,
tegen: de Minister van Justitie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde drs. J.M. Sidler.
I Procesverloop
1 Verzoekster is geboren op […] en bezit de Chinese nationaliteit. Op 8 december 2008 heeft zij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) met als doel “verblijf als vreemdeling die buiten haar schuld niet uit Nederland kan vertrekken”. Op deze aanvraag heeft verweerder op 5 oktober 2009 afwijzend beslist. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt op 21 oktober 2009. Verweerder heeft op 3 december 2009 het bezwaar ongegrond verklaard. Op 8 december 2009 heeft verzoekster tegen dit besluit beroep ingesteld.
2 Op 6 oktober 2009 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op het bezwaar is beslist. Aangezien verweerder na het indienen van het verzoekschrift voorlopige voorziening op het bezwaar heeft beslist, is het petitum van het verzoek aldus opgevat dat verzoekster de voorzieningenrechter heeft verzocht om bij wege van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het beroepschrift is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
3 De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 14 januari 2010. Verzoekster is vertegenwoordigd door mr. R.W. Koevoets, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Het onderzoek is voortgezet op 4 maart 2010 waarbij de gemachtigde van verweerder en mr. R.W. Koevoets verschenen zijn.
II Overwegingen
1.1 Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningen¬rechter toetst in dat kader of het bestreden besluit kennelijk rechtmatig dan wel kennelijk onrechtmatig is. Is van zodanige kennelijke (on)rechtmatigheid geen sprake, dan gaat de voorzieningenrechter over tot een belangenafweging.
1.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid van de Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
1.3 Ingevolge artikel 14, tweede lid van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder een beperking, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.
1.4 Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder w, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperking verband houden met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.
1.6 Het beleid met betrekking tot vreemdelingen die buiten hun schuld niet kunnen vertrekken is neergelegd in paragraaf B14/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000).
Het daarin neergelegde beleid luidt - voor zover thans van belang - als volgt:
“Algemeen
Uitgangspunt van het terugkeerbeleid is, dat in beginsel alle vreemdelingen kunnen terugkeren naar hun land van herkomst. Er is op dit moment geen land bekend dat de volkenrechtelijke verplichting, om eigen onderdanen terug te nemen, niet naleeft. Desalniettemin kunnen zich bijzondere situaties voordoen waarin een vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken omdat hij de benodigde reisdocumenten niet kan bemachtigen, terwijl er geen twijfel bestaat omtrent de door hem verstrekte gegevens over zijn identiteit en nationaliteit. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de vreemdeling staatloos is en hij geen wedertoelating kan verkrijgen tot het land waar hij eerder zijn gewone verblijfplaats (‘former habitual residence’) had.
In deze gevallen kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van dit beleid.
Voorwaarden voor de verblijfsvergunning
Het begrip ‘buiten hun schuld’ dient hier te worden opgevat als een objectief criterium, hetgeen betekent dat de vreemdeling aan de hand van objectief toetsbare bescheiden moet kunnen aantonen dat de betrokken autoriteiten van het land van herkomst of van het land alwaar de persoon verblijf heeft (gehad), geen toestemming zullen verlenen aan zijn terugkeer. Veelal gaat het hierbij om het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten waarmee de vreemdeling naar het betreffende land kan reizen en op grond waarvan hij bovendien in beginsel toegang zal krijgen tot het betreffende land. Bij de pogingen om de vereiste medewerking van de betreffende autoriteiten te krijgen, alsmede om in het bezit te komen van de benodigde (vervangende) reisdocumenten, heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid.
Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van het hier beschreven bijzondere beleid, dient de vreemdeling zich te wenden tot de vertegenwoordiging van zijn land van herkomst en eventuele landen van eerder verblijf. De vreemdeling komt in aanmerking voor verblijf als cumulatief aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1. de vreemdeling heeft zelfstandig geprobeerd zijn vertrek te realiseren. Hij heeft zich aantoonbaar gewend tot de vertegenwoordiging van het land of de landen waarvan hij de nationaliteit heeft, dan wel tot het land of de landen waar hij als staatloze vreemdeling eerder zijn gewone verblijfplaats had, en/of tot andere landen waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat de vreemdeling aldaar de toegang zal worden verleend; en
2. hij heeft zich gewend tot de IOM voor facilitering van zijn vertrek en deze organisatie heeft aangegeven dat zij niet in staat is het vertrek van de vreemdeling te realiseren vanwege het feit dat de vreemdeling stelt niet te kunnen beschikken over reisdocumenten; en
3. hij heeft verzocht om bemiddeling van de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) bij het verkrijgen van de benodigde documenten van de autoriteiten van het land waar hij naar toe kan gaan, welke bemiddeling niet het gewenste resultaat heeft gehad; en
4. er is sprake van een samenhangend geheel van feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat betrokkene buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten. Het dient daarbij te gaan om objectieve, verifieerbare feiten en omstandigheden die zien op de persoon van betrokkene en die in de eerste plaats zijn onderbouwd met bescheiden; en
5. hij verblijft zonder verblijfstitel in Nederland, en voldoet niet aan andere voorwaarden voor een verblijfsvergunning.”
2.1 De voorzieningenrechter oordeelt het volgende.
2.2 Ter zitting op 14 januari 2010 heeft verweerder een onderscheid gemaakt tussen vreemdelingen die vrijwillig willen vertrekken en daartoe medewerking zoeken van de Chinese autoriteiten in Nederland en vreemdelingen die in bewaring zitten, waarbij de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V) regie voert met betrekking tot hun vertrek uit Nederland en de daartoe te zetten stappen. Verweerder heeft aangegeven dat voor de eerstgenoemde categorie vreemdelingen (de vrijwillig vertrekkenden) door de Chinese autoriteiten documenten worden afgegeven indien de betrokken vreemdeling naar waarheid zijn persoonsgegevens in China vermeldt, inclusief het unieke Chinese persoonsnummer. Ook aan verder ongedocumenteerden zou een Laissez Passer (LP) worden afgegeven. De gemachtigde van de vreemdeling heeft deze lezing bestreden. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om nader aan te geven onder welke omstandigheden en in welke mate (aantallen) de Chinese autoriteiten aan de groep Chinezen die vrijwillig naar China willen vertrekken een LP hebben afgegeven, waardoor vrijwillig vertrek kon worden geëffectueerd. Bij brief van 11 februari 2010 heeft verweerder van de daartoe door de voorzieningenrechter geboden gelegenheid gebruik gemaakt. De brief luidt - voor zover thans relevant - als volgt:
“ De Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: I0M) heeft aan verweerder medegedeeld dat zij een goede relatie hebben met de Chinese autoriteiten hier te lande. Blijkens informatie van de IOM (ook te raadplegen op haar internetsite: www.iom-nederland.n1) zijn er via het IOM in 2008 80 en in 2009 147 vreemdelingen vrijwillig teruggekeerd naar China.
Verder is het zo dat de Chinese diplomatieke vertegenwoordiging meewerkt aan het verstrekken van vervangende reisdocumenten in het kader van terugkeer. Bij het afgeven van een vervangend reisdocument door de vertegenwoordiging is het van belang dat de vreemdeling de juiste personalia opgeeft, de personalia waarmee de vreemdeling in de administratie in China staat geregistreerd. Indien er (kopie) documenten aanwezig zijn, worden deze ter ondersteuning van de aanvraag gebruikt. Deze zijn echter niet doorslaggevend voor her wel of niet afgeven van een Laissez Passer (LP) door de vertegenwoordiging, dat is de juistheid van de door de vreemdeling opgegeven personalia.
De vertegenwoordiging bepaalt, veelal na nader onderzoek in China en na overleg met de centrale autoriteiten ter plekke, aan de hand van de door de vreemdeling verstrekte gegevens en overgelegde documenten of de vreemdeling de betreffende identiteit en nationaliteit bezit en of kan worden overgegaan tot afgifte van een vervangend reisdocument (hierna: LP). Het is dus niet de Nederlandse overheid, maar de Chinese die de identiteit en nationaliteit vaststelt.
Vreemdelingen die vrijwillig vertrekken zullen eerder de juiste personalia opgeven (aan de Nederlandse overheid en de Chinese vertegenwoordiging) dan vreemdelingen die niet willen vertrekken. Als een vreemdeling niet de juiste personalia opgeeft aan de vertegenwoordiging, dan wel aan de vertegenwoordiging documenten overlegt die door de Chinese autoriteiten niet als echt en authentiek worden aangemerkt, zal hij of zij niet in de Chinese registers teruggevonden worden en zal er dus geen LP worden afgegeven.
Uit de contacten van Dienst Terugkeer Vertrek (hierna: DT&V) met de Chinese diplomatieke vertegenwoordiging is gebleken dat de volgende informatie belangrijk bij het indienen van een LP-aanvraag.
• Het vermelden van het identiteitsnummer op het aanvraagformulier China is essentieel voor het onderzoek in China.
• Belangrijke informatie voor verkrijging van een LP is dat het Chinese ID kaart nummer bestaat uit 13 of 18 cijfers;
• Chineestalige aanvraagformulier aan de ambassade moet (volledig) worden ingevuld in Chinese karakters. De aanvraag dient op z’n minst de volgende gegevens te bevatten:
- volledige naam;
- geboortedatum, en
- geboorteplaats
Het belangrijkste gegeven is het adres van betrokkene in China.
•Chinezen afkomstig uít de steden dienen in te vullen:
- Provincie
- Stad
Stadswijk / Stadsdistrict
- Straatnaam
- Huisnummer
-Postcode
•Chinezen afkomstig van het platteland vullen in:
- Provincie
-Stad (met ommelanden)
- Gewest
- Gemeente 1 Dorpsgewest
Dorp
Straatnaam (niet altijd)
- Huisnummer
•Postcode
De vreemdelingen die via de IOM vrijwillig terugkeren, hoeven niet bij DT&V bekend te zijn. De DT&V beschikt niet over verdere informatie over de voorwaarden waaronder de Laissez Passers door de diplomatieke vertegenwoordiging zijn afgegeven, maar gaat er vanuit dat de vreemdelingen de juiste personalia hebben verstrekt waardoor een reisdocument is verkregen. Het uitgangspunt is dat de vreemdeling de juiste informatie dient te verstrekken. Terugkeer naar China is mogelijk.”
2.3 De gemachtigde van verzoekster heeft hierop gereageerd bij brief van 17 februari 2010 en daarin aangegeven dat verweerder verzuimd heeft aan te geven onder welke omstandigheden (in welke mate gedocumenteerd) het IOM deze vreemdelingen faciliteert. Evenmin blijkt uit deze cijfers of voor de terugreis een LP is gebruikt die is afgegeven door de Chinese vertegenwoordiging. Hetgeen verweerder stelt omtrent de medewerking van de Chinese autoriteiten moet voor pertinent onjuist worden gehouden. De gemachtigde verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 13 mei 2009, AWB 09/14777, waarin van de situatie wordt uitgegaan dat de Chinese autoriteiten niet gewillig zijn om documenten en verklaringen af te geven.
2.4. Ter zitting van 4 maart 2010 heeft verweerder bovenvermelde informatie aangevuld. Het IOM houdt niet systematisch bij welke door haar gefaciliteerde vreemdelingen met een door de Chinese autoriteiten afgegeven LP zijn teruggekeerd. Wel kan blijkens de informatie verkregen van het IOM, met zekerheid worden aangenomen dat van het aantal van 80 teruggekeerde Chinezen in 2008 tenminste twintig personen zijn uitgereisd met een door de Chinese autoriteiten afgegeven LP op basis van een door de vreemdeling ingevuld aanvraagformulier met betrekking tot zijn personalia. Over 2009 zijn geen aantallen bekend, maar er is- aldus verweerder- geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de informatie dat er LP’s worden afgegeven indien de vreemdeling zijn juiste personalia opgeeft.
2.5 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder met bovenstaande brief en de ter zitting van 4 maart 2010 gegeven aanvullende informatie onderbouwd dat voor (ongedocumenteerde) vrijwillig vertrekkenden door de Chinese autoriteiten documenten worden afgegeven indien de betrokken vreemdeling naar waarheid zijn persoonsgegevens in China vermeldt, inclusief het unieke Chinese persoonsnummer. Nu het afgeven van documenten voor de terugreis mogelijk is, bestaat geen grond voor het oordeel dat het beleid als weergegeven onder rechtsoverweging 1.6 kennelijk onredelijk is op grond dat gebleken is dat aan (ongedocumenteerde) vrijwillig vertrekkenden door de Chinese autoriteiten nimmer documenten worden afgegeven. In de op verzoekster rustende bewijslast ligt besloten dat het aan haar is te bewijzen dat er geen twijfel bestaat omtrent de juistheid van de door haar verstrekte gegevens omtrent haar identiteit en nationaliteit. Ook is het aan verzoekster om op andere wijze haar identiteit en nationaliteit aan te tonen, bijvoorbeeld door het aanschrijven van familie in China. De door verzoekster overgelegde uitspraken in bewaringszaken kunnen niet als weerlegging dienen op gronden als de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 2.6 zal overwegen. Ook is met de verwijzing naar de verklaring van het IOM waarin verzoekster aangeeft niet over reisdocumenten te kunnen beschikken en dat het IOM daarom de reis naar China niet kan faciliteren, geen concreet aanknopingspunt voor de onjuistheid van verweerders brief van 11 februari 2010 als hierboven weergegeven. Immers Het IOM faciliteert pas zodra een reisdocument is verkregen. Op grond van de hiervoor weergegeven nieuwe informatie van verweerder ziet de voorzieningenrechter geen reden om het oordeel van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 13 mei 2009 te volgen.
2.6 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster in haar stellingen de bewijslastverdeling tussen haar en verweerder bij de aanvraag miskent. Verzoeksters verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 5 september 2008 (LJN BE9988) en 16 december 2009 (LJN BG9500) ter onderbouwing van haar stelling dat het haar onmogelijk is uit Nederland te vertrekken, heeft betrekking op vreemdelingenbewaring en de bereidheid van de Chinese autoriteiten om in die situatie een LP af te geven. Bij vreemdelingenbewaring ligt de bewijslast dat zicht bestaat op uitzetting bij verweerder. Verzoekster gaat er vanuit dat de bewijslastverdeling bij haar aanvraag op gelijke wijze als bij bewaring verdeeld is tussen partijen. Bij het besluit dat ter beoordeling ligt, rust de bewijslast en de bewijsvoeringslast echter bij verzoekster. Wat van verzoekster ter onderbouwing van haar aanvraag wordt verwacht is omschreven in paragraaf B14/3 van de Vc 2000. De bewijslast van de vreemdeling bestaat er in dat hij aan de hand van objectief toetsbare bescheiden moet kunnen aantonen dat de betrokken autoriteiten van het land van herkomst of van het land alwaar de persoon verblijf heeft (gehad), geen toestemming zullen verlenen voor zijn terugkeer. Bij de pogingen om de vereiste medewerking van de betreffende autoriteiten te krijgen, alsmede om in het bezit te komen van de benodigde (vervangende) reisdocumenten, heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid. De vreemdeling moet aantonen dat hij voldoet aan de vijf cumulatieve voorwaarden als genoemd. Het is aan verweerder om aan te geven wat bij de aanvraag door verzoekster overgelegd moet worden. Ook komt aan verweerder beoordelingsruimte toe bij de beoordeling of het overgelegde objectief en verifieerbaar is. De opvatting van verzoekster dat voor de te overleggen objectieve bescheiden ten onrechte geen regels in het beleid genoemd worden, vindt geen grond in de feiten en kan dan ook geen doel treffen. Het door verzoekster gestelde dat ze niet in haar levensonderhoud kan voorzien, haar verwijzing in bezwaar naar een artikel uit de Metro van 28 januari 2009 over Chinese illegalen en de risico’s die deze lopen door in handen te vallen van de Chinese maffia en de overlegging van een uitspraak van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2009 die over het intreden van die risico’s gaat, zijn geen onderbouwing dat verzoekster heeft voldaan aan de vijf hiervoor genoemde, cumulatieve voorwaarden. Met het aldus overgelegde en gestelde heeft verzoekster niet aan haar bewijslast voldaan. Verzoekster moet zich onder meer tot DT&V wenden. De DT&V kan in een individueel ambtsbericht aan de IND aangeven of al dan niet sprake is van buitenschuld. Uit het ambtsbericht van 28 augustus 2009 blijkt dat verzoekster niet beschikbaar is voor enig onderzoek en mogelijk zelfs in China verblijft, waardoor DT&V niet tot een inhoudelijke toetsing inzake buitenschuld kon komen. Daarop is gebaseerd het zwaarwegende advies van DT&V dat verzoekster niet in aanmerking komt voor de door haar gevraagde vergunning. Verzoekster heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen voor twijfel aan de juistheid van het ambtsbericht. De enkel geuite twijfel aan de juistheid van het ambtsbericht is onvoldoende ter onderbouwing van een dergelijk concreet aanknopingspunt.
3 Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat verzoekster ingevolge de toepasselijke regelgeving niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning.
4 Nu nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, bestaat aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:86, eerste lid van de Awb. Het beroep wordt derhalve ongegrond verklaard.
5 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak komt het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking.
6 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III Beslissing
De voorzieningenrechter:
recht doende:
1 verklaart het beroep (AWB 09/45753) ongegrond;
2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 09/36220) af.
Aldus gedaan door mr. A. van ‘t Laar, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P. de Haas, griffier.
De griffier,
De voorzieningenrechter,
Uitgesproken in het openbaar op: 9 maart 2010.
Rechtsmiddel
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.
Afschrift verzonden op: