ECLI:NL:RBSGR:2010:BL1604
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek ontzegging gebruik geslachtsnaam ex-echtgenote na echtscheiding
De man verzocht de rechtbank om de vrouw op grond van artikel 1:9, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek de bevoegdheid te ontnemen zijn geslachtsnaam te gebruiken na hun echtscheiding. De vrouw voert deze naam al bijna veertig jaar en heeft onder deze naam haar carrière opgebouwd. Tevens is zij sociaal en bestuurlijk actief onder deze naam en heeft zij gesteld dat deze naam onderdeel van haar persoonlijkheid is geworden.
De rechtbank overwoog dat de vrouw krachtens artikel 1:9, eerste lid, BW bevoegd is de geslachtsnaam van de man te voeren, ongeacht diens toestemming. Ontzegging van dit recht kan alleen bij gegronde redenen na echtscheiding zonder afstammelingen. De man voerde aan dat de vrouw de echtscheidingsprocedure vertraagde, onwaarheden verspreidde en de naam slechts gebruikte om hem te kwetsen. De rechtbank stelde vast dat deze stellingen niet zijn komen vast te staan.
Ook het emotionele bezwaar van de man en de mening van zijn huidige partner over het gebruik van de naam door de vrouw vormden geen gegronde reden. De rechtbank concludeerde dat het belang van de vrouw om de geslachtsnaam te blijven voeren zwaarder weegt dan de bezwaren van de man en wees het verzoek af.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de man af om de vrouw te verbieden zijn geslachtsnaam te gebruiken.