ECLI:NL:RBSGR:2009:BK6644
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontslag van rechtsvervolging wegens overmacht bij verblijf als ongewenst vreemdeling
Verdachte werd vervolgd voor het overtreden van artikel 197 Sr Pro door als vreemdeling in Nederland te verblijven terwijl hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Hij voerde verweer op basis van overmacht, omdat uitzetting naar zijn geboorteland Afghanistan zou leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro (verbod op foltering en onmenselijke behandeling).
De verdediging verwees naar een voorlopige maatregel van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) die Nederland verbood verdachte uit te zetten totdat het EHRM inhoudelijk over de zaak had beslist. Ook kon verdachte niet worden verplicht te vertrekken naar een derde land, omdat dit risico op uitzetting naar Afghanistan met zich meebracht zonder dat een voorlopige maatregel tegen dat land kon worden ingeroepen.
De politierechter oordeelde dat verdachte voldoende aannemelijk had gemaakt dat uitzetting naar Afghanistan een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro inhield. Hierdoor kon van verdachte niet redelijkerwijs worden verlangd dat hij het strafrechtelijke verbod respecteerde. Het verweer van overmacht slaagde, waarna verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank stelde vast dat verdachte op 9 december 2008 als vreemdeling in Nederland verbleef terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Desondanks achtte de rechtbank het strafbaar feit niet bewezen vanwege de uitzonderlijke omstandigheden en de voorlopige maatregel van het EHRM.
De uitspraak werd gedaan door politierechter M.I. Veldt-Foglia op 2 november 2009 in de rechtbank 's-Gravenhage.
Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens overmacht door voorlopige maatregel EHRM die uitzetting naar Afghanistan verbiedt.