Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5665

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
2 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
Awb 09/42311
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 85 Vw 2000Art. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzettingsvoorbereiding

De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het beroep van een Iraakse vreemdeling tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring werd opgelegd op 29 oktober 2009. Verweerder voerde aan dat een intakegesprek op 3 november 2009 met de vreemdeling had plaatsgevonden, waarin de vreemdeling zijn terugkeerbereidheid aangaf.

De rechtbank stelde vast dat dit intakegesprek niet als vertrekgesprek kon worden aangemerkt, omdat er geen verslag van was en het gesprek niet concreet plaatsvond in het kader van de uitzettingsvoorbereiding. De daadwerkelijke uitzettingshandeling, het vertrekgesprek, vond pas op 9 november 2009 plaats. Hierdoor was er sprake van een te late aanvang van de voorbereiding van de uitzetting.

De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld, waardoor de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig was. De bewaring werd per direct opgeheven en aan eiser werd een schadevergoeding toegekend van €80 per dag voor 34 dagen onrechtmatige bewaring. Tevens werden de proceskosten aan verweerder opgelegd.

Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzettingsvoorbereiding en eiser krijgt schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Groningen
Sector Bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
Zaaknummer: Awb 09/42311
Uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende:
X
alias
Y
geboren op
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer:
eiser,
gemachtigde: mr. N. Hollander, advocaat te Groningen.
1. Ontstaan en loop van het geschil
1.1. De Staatssecretaris van Justitie, hierna verweerder, heeft op 29 oktober 2009 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.
1.2. Eiser heeft hiertegen op 17 november 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank.
Tevens heeft eiser verzocht om toekenning van schadevergoeding.
1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en aan de gemachtigde van eiser toegezonden.
1.4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 30 november 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen mr. M.A. Vonk. Het onderzoek ter zitting is geschorst. Op 1 december 2009 heeft verweerder nadere inlichtingen verschaft en toestemming gegeven een nadere zitting achterwege te laten. Op 2 december 2009 heeft eiser zijn reactie kenbaar gemaakt en toestemming gegeven een nadere zitting achterwege te laten. Heden heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
2. Rechtsoverwegingen
2.1. In deze procedure dient op grond van de beroepsgronden te worden beoordeeld of de maatregel van bewaring niet in strijd is met de wet en of de maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.
2.2. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld ter voorbereiding van de uitzetting.
2.3. Uit de stukken blijkt dat eiser op 2 november 2009 is geplaatst op de Detentieboot te Dordrecht, dat verweerder op 3 november 2009 een intakegesprek met eiser heeft gevoerd, dat verweerders Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) op 4 november 2009 het overdrachtsdossier heeft ontvangen en dat verweerder op 9 november 2009 met eiser een vertrekgesprek heeft gevoerd.
2.4. De rechtbank overweegt dat genoemde plaatsing en genoemde ontvangst van het dossier weliswaar verband houden met de beoogde uitzetting maar voor de uitzetting als zodanig geen directe betekenis hebben. Zij kunnen daarom niet worden aangemerkt als uitzettingshandelingen. Hiertoe verwijst de rechtbank naar de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 7 oktober 2009, LJN: BK0519.
2.5. Op 1 december 2009 heeft verweerder de rechtbank schriftelijk bericht dat op 3 november 2009 een intakegesprek heeft plaatsgevonden tussen eiser en terugkeerfunctionaris [A]. Hierin zou eiser hebben aangegeven dat hij vanaf 2001 in Nederland is, dat hij een asielprocedure heeft gevoerd maar inmiddels te horen heeft gekregen dat hij is uitgeprocedeerd en dat hij heeft aangegeven terug te willen keren naar Irak.
De rechtbank overweegt dat van genoemd intakegesprek - waarvan door verweerder aanvankelijk geen melding is gemaakt en dat door verweerder ook niet is geduid als vertrekgesprek - geen verslag is opgemaakt en dat de door verweerder ingezonden telefoonnotitie over het intakegesprek een weerslag is van een telefoongesprek tussen verweerders gemachtigde en een andere functionaris van DT&V dan de functionaris die het gesprek met eiser heeft gevoerd. Voorts blijkt uit de inhoud van de telefoonnotitie niet dat het intakegesprek concreet heeft plaatsgevonden in het kader van de voorbereiding van de uitzetting. Om genoemde redenen kan het intakegesprek niet gelijkgesteld worden aan een vertrekgesprek. Ook voor het overige ziet de rechtbank geen aanleiding het intakegesprek als een uitzettingshandeling aan te merken. Naar het oordeel van de rechtbank is het gesprek niet vergelijkbaar met bijvoorbeeld een verhoor over de identiteit en nationaliteit, zoals aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2009, LJN: BJ1657.
2.6. Het voorgaande betekent dat het vertrekgesprek van 9 november 2009 als eerste uitzettingshandeling dient te worden aangemerkt. Door pas op de twaalfde dag van de bewaring een aanvang te maken met de daadwerkelijke voorbereiding van uitzetting van eiser, heeft verweerder, gezien de vaste lijn in de rechtspraak van de Afdeling, onvoldoende voortvarend gehandeld. Dit heeft tot gevolg dat de maatregel van meet af aan onrechtmatig is.
2.7. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en dient de bewaring te worden opgeheven met ingang van heden. Aan eiser komt schadevergoeding toe voor de dagen, vierendertig in totaal, € 80,- per dag, gedurende welke hij onrechtmatig in vreemdelingenbewaring heeft verbleven.
3. Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel per heden;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser schadevergoeding toe ten bedrage van € 2.720,-, ten laste van verweerder;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan de griffier van deze rechtbank dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. S. Stenfert Kroese en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.A. Hulst als griffier op 2 december 2009.
Griffier
Rechter
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage) onder vermelding van ‘Hoger beroep vreemdelingenzaken’. Ingevolge artikel 85 Vw Pro 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Afschrift verzonden: