ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5003
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Belang van gehandicapt minderjarig kind bij mvv-vereiste voor verblijfsvergunning
Eiser, een minderjarige met lichte zwakzinnigheid en gedragsstoornissen, vroeg om een verblijfsvergunning voor medische behandeling, maar zijn aanvraag werd afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verweerder baseerde dit op een medisch advies waarin stond dat eiser onder begeleiding kon reizen en er geen acute medische noodsituatie was.
Eiser betoogde dat het reizen naar Eritrea, het land van herkomst, ernstige nadelige gevolgen zou hebben vanwege zijn zorgbehoefte, taalbarrière en het ontbreken van adequate medische voorzieningen. De rechtbank stelde vast dat verweerder de belangen van eiser onvoldoende had meegewogen, vooral gezien het risico dat de moeder, die mantelzorg zou verlenen, mogelijk dienstplicht moest vervullen in Eritrea.
Gelet op artikel 3 en Pro 23 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en de bijzondere omstandigheden van eiser, oordeelde de rechtbank dat het belang van het kind om niet te reizen doorslaggevend is. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege het belang van het gehandicapte minderjarige kind om niet te reizen voor een mvv-aanvraag.